Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

donderdag 5 juni 2014

Eerste Brief aan Timotheüs - Hoofdstuk 6

1   Oσοι εισιν υπο ζυγον δουλοι, τους ιδιους δεσποτας πασης τιμης αξιους ηγεισθωσαν, ινα μη το ονομα του θεου και η διδασκαλια βλασφημηται.
Laten allen die onder een slavenjuk zijn, de eigen meesters alle eer waardig achten, opdat de naam van God en de leer niet gelasterd worden.
 
2   οι δε πιστους εχοντες δεσποτας μη καταφρονειτωσαν, οτι αδελφοι εισιν∙ αλλα μαλλον δουλευετωσαν, οτι πιστοι εισιν και αγαπητοι οι της ευεργεσιας αντιλαμβανομενοι.
Tαυτα διδασκε και παρακαλει.
Zij die gelovige meesters hebben, moeten [hen] niet minder achten omdat zij broeders zijn, maar [hen] des te meer dienen, omdat zij die van het goede gedrag voordeel trekken, gelovigen en geliefden zijn.
Leer en moedig deze dingen aan.
 
In die vroege dagen van het Christendom waren de relaties binnen een christengemeenschap niet beperkt tot die van de afzonderlijke leden ten opzichte van hun oudsten (opzieners). Gezien de toen algemeen heersende slavernij kon het gebeuren dat binnen de broederschap zelf de één een meester was en een ander een slaaf. De vraag deed zich daarom voor hoe de verhoudingen in dat geval sociaal lagen. Had een christelijke slaaf een niet gelovige meester dan was de zaak vrij duidelijk: Geestelijk gevoed vanuit de waarheden omtrent het Christendom mocht van de slaaf verwacht worden dat hij zijn heidense meester van harte en zonder voorbehoud gehoorzaam was.
 
Tegendraads handelen paste een christelijke slaaf niet, noch het aannemen van een hoogmoedige houding, wellicht in de mening verkerend dat hij, met zijn christelijke achtergrond, ver verheven was boven een Heiden. Daardoor zou echter veeleer de naam van God, maar ook de ware leer, gelasterd worden.
Al in zijn Kolossenzenbrief had Paulus, kennelijk mede in verband met de kwestie Onesimus, de volgende richtlijn aangegeven:
 
De slaven, gehoorzaamt naar alles de heren naar het vlees, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar in oprechtheid van hart, met ontzag voor de Heer. Wat jullie ook doen, werkt met hart en ziel, als voor de Heer en niet voor mensen, wetend dat jullie van de Heer als vergoeding de erfenis zullen ontvangen; dient de Heer Messias als slaven. Want wie onrecht doet, zal wat hij aan onrecht deed, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons.
( Ks 3:22-25 )
 
De nieuwe norm, dat in de Messias christelijke gelijkheid geldt wat betreft de nieuwe mens, bracht op zich geen verandering in het gegeven dat allen nog steeds leefden binnen een maatschappij die volgens gezagsverhoudingen geordend was.
Paulus bijvoorbeeld trachtte niet de bestaande sociale verhoudingen van die tijd te wijzigen. Zo had hij, in 1Ko 7:20-24, slaven al eerder de raad gegeven die verhoudingen te accepteren. En ook nu, in deze Brief, vermaant hij Timotheüs er op toe te zien dat christelijke slaven hun meesters naar het vlees hoogachten en van die leidraad niet af te wijken als de meester ook zelf een christen is.
 
De neiging kon immers bestaan om hem vanwege die positie - die men wellicht voor een christen bedenkelijk achtte - minder broederlijke achting en/of genegenheid te betonen. Integendeel, vermaant Paulus, aangezien zij broeders zijn moet men hen juist met des te meer inzet dienstbaar zijn. De gemeenschap in hetzelfde geloof en in de liefde Gods is een reden te meer om de christelijke meester van harte, uit innerlijke overtuiging, te dienen.
   
 
3   ει τις ετεροδιδασκαλει και μη προσερχεται υγιαινουσιν λογοις, τοις του κυριου ημων Iησου Xριστου και τη κατ ευσεβειαν διδασκαλια, 
Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias, en naar de leer die overeenkomstig godsvrucht [is],
 
4   τετυφωται μηδεν επισταμενος, αλλα νοσων περι ζητησεις και λογομαχιας, εξ ων γινεται φθονος, ερις, βλασφημιαι, υπονοιαι πονηραι,
is hij opgeblazen, ofschoon hij niets begrijpt. Maar hij heeft een ziekelijke neiging tot twistvragen en woordenstrijd, waaruit ontstaan: afgunst, ruzie, lasteringen, boze vermoedens,
 
5   διαπαρατριβαι διεφθαρμενων ανθρωπων τον νουν και απεστερημενων της αληθειας, νομιζοντων πορισμον ειναι την ευσεβειαν,
voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd; die menen dat de godsvrucht een winstbron is.
 
Opnieuw keert Paulus terug naar het eigenlijke onderwerp van deze Brief: Sommigen, vooral de ‘leraren’ uit joodse hoek, te gebieden geen andere leer te onderwijzen, noch zich bezig te houden met mythen en eindeloze geslachtsregisters, welke eerder aanleiding geven tot discussies dan het uitoefenen van een huishoudelijk beheer van God qua geloof. Zie: 1:3-4.
 
Door zich nu in te leiden met Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias, en naar de leer die overeenkomstig godsvrucht [is], geeft hij bedekt te kennen dat hij niet werkelijk verwacht dat die ‘leraren’, met hun ziekelijke weetgierigheid, makkelijk geneigd zullen zijn hun vreemdsoortige leringen prijs te geven en zich van harte toe te leggen op de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias. 
 
Timotheüs kan er dus rekening mee houden dat geruzie in verband met twistvragen en woordenstrijd niet zomaar tot het verleden zullen gaan behoren. Die leraren zullen zich echt niet uit eigen beweging voegen, aangezien zij ten diepste verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd; in de mening verkerend dat de godsvrucht een winstbron is.
Het gaat bij die personen niet echt om de goddelijke waarheid, maar veeleer om het voedsel geven aan de eigen hoogmoed en tegelijkertijd de tegenstander te vernederen. Zij missen eenvoudig het vermogen onderscheid te maken tussen datgene wat zowel godsdienstig als zedelijk waardevol is, en de nutteloze bespiegelingen waaraan zij zichzelf bij voorkeur overgeven. Het eindresultaat voor hen is dat zij geheel berooid achterblijven wat betreft de kennis van de werkelijke, goddelijke waarheden. Hun godsvrucht is onecht en wordt bovendien slechts benut als ‘winstbron’.
 
6   εστιν δε πορισμος μεγας η ευσεβεια μετα αυταρκειας∙
Zeker,de godsvrucht is een grote winstbron indien men tevreden is met wat men heeft;
 
7   ουδεν γαρ εισηνεγκαμεν εις τον κοσμον, οτι ουδε εξενεγκειν τι δυναμεθα∙
want wij hebben niets in de wereld meegebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen.
 
8   εχοντες δε διατροφας και σκεπασματα, τουτοις αρκεσθησομεθα.
Hebben wij echter voeding en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.
 
9   οι δε βουλομενοι πλουτειν εμπιπτουσιν εις πειρασμον και παγιδα και επιθυμιας πολλας ανοητους και βλαβερας, αιτινες βυθιζουσιν τους ανθρωπους εις ολεθρον και απωλειαν∙
Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.
 
10  ριζα γαρ παντων των κακων εστιν η φιλαργυρια, ης τινες ορεγομενοι απεπλανηθησαν απο της πιστεως και εαυτους περιεπειραν οδυναις πολλαις.
Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daaraan toe te geven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.
 
De echte godsvrucht is inderdaad een ‘winstbron’, een zeer rijke zelfs, maar dat uiteraard in een geheel andere betekenis dan in de opvattingen der leraren die van de goddelijke waarheid beroofd waren! Zij konden slechts aan stoffelijke voordelen denken.
Daarom voegt Paulus er in vers 6 aan toe (letterlijk): met autarkie. De uitdrukking zouden we in onze tijd kunnen weergeven met ‘zelfredzaamheid’; in de Oudheid betekende ze zelf-genoeg-zaamheid, maar dan in de zin dat men in staat was in de eigen behoeften te voorzien. De uitdrukking is afgeleid van autarkès: in staat zich te verdedigen; onafhankelijk zijn van anderen.
 
Voor een christen is autarkie voldoende, zoals Paulus verder motiveert: Omdat wij bij de dood niets uit deze wereld kunnen meenemen, regelde God het zo dat wij bij onze geboorte er ook niets in meebrachten!
Voor ons, christenen, ligt daarin de les opgesloten dat aardse goederen nooit het doel moeten zijn waarop men zich richt. Het beginsel der autarkie houdt voor ons in dat we tevreden kunnen zijn met voedsel en (letterlijk, in de meervoudsvorm): beschutting/bedekking, doelend op kleding en de beschutting van een huis.
 
Wanneer een christen het doel van zijn leven begrijpt zal hij niet in de strik vallen van zoveel mensen die menen dat zij pas echt gelukkig kunnen zijn als zij veel ‘geld en goed’ kunnen vergaren. Maar geldzucht is een wortel van allerlei kwaad die, volgens de geïnspireerde apostel, de mensen slechts doet wegzinken in verderf en ondergang. Al in zijn dagen had hij waargenomen dat sommigen die meenden christenen te zijn, maar die hun streven op de geldzucht hadden gericht, zich niet alleen met vele smarten hadden doorboord, maar daardoor ook – nog veel erger - van het geloof waren afgedwaald.
 
11  Συ δε, ω ανθρωπε θεου, ταυτα φευγε∙ διωκε δε δικαιοσυνην, ευσεβειαν, πιστιν, αγαπην, υπομονην. πραυπαθιαν.
Maar jij, o mens Gods, moet deze dingen ontvluchten; jaag daarentegen naar rechtvaardigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtaardigheid.
 
12  αγωνιζου τον καλον αγωνα της πιστεως, επιλαβου της αιωνιου ζωης, εις ην εκληθης και ωμολογησας την καλην ομολογιαν ενωπιον πολλων μαρτυρων.
Strijd de voortreffelijke strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven vast, waartoe je werd geroepen, en waarvan je de juiste belijdenis aflegde ten overstaan van vele getuigen.
 
Met maar jij, o mens Gods plaatst de apostel Timotheüs uitdrukkelijk tegenover de leraren die in hun vermeende godsvrucht slechts door geldzucht werden gedreven en die, als gevolg daarvan, met vele smarten werden doorboord. In plaats van zulk ongezond streven moet hij zich - precies zoals het geval was met vele OT-personen - een mens Gods betonen die voortreffelijke hoedanigheden najaagt, waaronder:
- rechtvaardigheid
- godsvrucht
- geloof
- liefde
- volharding
- zachtaardigheid,
weliswaar passend voor elke christen, maar zeker wenselijk voor iemand die een opzienersambt bekleedt.
 
Vergelijk Dt 33:1, waar Mozes de man Gods wordt genoemd.
1Sm 2:27 > Een zekere man Gods kwam tot Eli.
1Sm 9:6 > Sauls knecht wist dat er in de stad die zij nabij waren een man Gods, een ziener, woonde die hoog in aanzien stond bij het volk, en Samuël bleek te zijn.
Zie ook: 2Kn 5:8, waar de profeet Elisa als de man Gods wordt aangeduid die volgens een Israëlitisch meisje Naäman van zijn melaatsheid zou kunnen genezen.
 
Genoemde hoedanigheden zijn des te meer gewenst omdat elke christen de strijd van het geloof kent en die strijd speelt zich, wat hem betreft, vooral in de bovennatuurlijke sfeer af waar we, zoals Paulus eerder aangaf in Ef 6:10-13, een ‘worsteling’ hebben met de goddeloze geestenkrachten, de wereldheersers van deze duisternis.
Het is evenwel een “voortreffelijke” strijd, helemaal erop gericht om het eeuwige leven stevig vast te grijpen, de ‘prijs’ waartoe we geroepen zijn. Zoals velen konden bevestigen had Timotheüs zelf dikwijls inhoudelijk daarvan getuigd. Net als Paulus zelf schaamde hij zich het Evangelie niet als een kracht Gods tot redding voor een ieder die gelooft (Rm 1:16)
 
13  παραγγελλω [σοι] ενωπιον του θεου του ζωογονουντος τα παντα και Xριστου Iησου του μαρτυρησαντος επι Ποντιου Πιλατου την καλην ομολογιαν,
Voor het aangezicht van God - die alle dingen tot leven wekt - en Messias Jezus - die voor Pontius Pilatus de voortreffelijke belijdenis betuigde - gebied ik je
 
14  τηρησαι σε την εντολην ασπιλον ανεπιλημπτον μεχρι της επιφανειας του κυριου ημων Iησου Xριστου.
dat je het gebod onbevlekt en onberispelijk onderhoudt tot de manifestatie van onze Heer Jezus Messias,
 
15  ην καιροις ιδιοις δειξει ο μακαριος και μονος δυναστης, ο βασιλευς των βασιλευοντων και κυριος των κυριευοντων,
die de gelukkige en enige Heerser - de Koning der koningen en Heer der heren - op eigen tijden zal tonen,
 
16  ο μονος εχων αθανασιαν, φως οικων απροσιτον, ον ειδεν ουδεις ανθρωπων ουδε ιδειν δυναται∙ ω τιμη και κρατος αιωνιον∙ αμην.
hij die alleen onsterfelijkheid bezit, een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens zag noch zien kan; hem zij eer en eeuwige macht! Amen.
 
Met een beroep op de hoogste Autoriteit in het universum, God zelf, gebiedt de apostel Timotheüs tenslotte om toch vooral gehoor te geven aan het gebod, namelijk aan alle aansporingen die hij zijn pupil in deze Brief had aangereikt om toch vooral vastberaden op te treden tegen de opgeblazen leraren met hun ziekelijke neiging tot twistvragen en woordenstrijd. 
Slechts dan zou het onderwijs in de Efezische gemeenschap weer ‘gezonde’ trekken kunnen krijgen en van een aanvaardbaar, geestelijk gehalte worden. In de moeilijke praktijk van de dagelijkse gang van zaken hield een en ander in kordaat op te treden tegen hen die met hun verdorven denken slechts de Tegenstander in de kaart speelden.  
 
Maar Timotheüs mocht het bewustzijn hebben dat Gods Zoon hem in die moeilijke opdracht terzijde zou staan, hij die zelf, toen hij voor Pilatus terecht stond, met vrijmoedigheid getuigenis had afgelegd van Gods oppermacht en diens komend Wereldrijk:
 
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.  Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.
 
Maar boven allen, ook boven Jezus, zijn Zoon, stond toch God zelf, Degene met een voor mensen niet te begrijpen, unieke achtergrond: De gelukkige en enige Heerser - de Koning der koningen en Heer der heren – Hij die alleen onsterfelijkheid bezit, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens zag noch zien kan; hem die [daarom] eer en eeuwige macht toekomt! 
Op de tijden die Hijzelf daarvoor bestemde zal hij de verwachting van alle gelovigen inlossen: de manifestatie van zijn Zoon, onze Heer Jezus Messias.
 
Met het aanbreken van de 70e Jaarweek, bij het blazen van de laatste trompet, zal die manifestatie een aanvang nemen. De Gemeente zal hij dan vanuit de lucht tot zich roepen (1Th 4:13-17). Maar andere manifestaties zullen volgen in zijn paroesie, die de voleinding der eeuw inhoudt (Mt 24:3).
Wanneer bij voorbeeld de Antichristelijke Wetteloze wordt geopenbaard zal hij die macht verteren door de geest van zijn mond en teniet doen door de manifestatie van zijn paroesie (2Th 2:8).
En bij de climax van zijn paroesie, wanneer hij komt ten oordeel, zal hij zich manifesteren als de Mensenzoon die komt op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid (Mt 24:30).
 
Welnu, in dit besef en tegen deze achtergrond hoeft Timotheüs niet wankelmoedig te zijn. Er blijft geen enkele valide reden over om te aarzelen en niet tot krachtdadig handelen over te gaan. Evenzo kunnen alle christenen, als mensen van God, van standvastigheid blijk geven, vooral onder uitdagende situaties. Want eerder schreef Paulus ook (in 1Ko 1:8-9) >
 
Onze Heer Jezus Messias, die jullie ook ten einde toe standvastig zal maken, zonder blaam in de Dag van onze Heer Jezus Messias. God is getrouw door wie jullie werden geroepen tot gemeenschap van zijn Zoon Jezus Messias, onze Heer.
 
17  Tοις πλουσιοις εν τω νυν αιωνι παραγγελλε μη υψηλοφρονειν μηδε ηλπικεναι επι πλουτου αδηλοτητι, αλλ επι θεω τω παρεχοντι ημιν παντα πλουσιως εις απολαυσιν,
Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op de onzekerheid van de rijkdom, maar op God die ons van alles rijkelijk voorziet om daarvan te genieten,
 
18  αγαθοεργειν, πλουτειν εν εργοις καλοις, ευμεταδοτους ειναι, κοινωνικους,
 goed te doen, rijk te zijn in juiste werken, vrijgevig, mededeelzaam,
 
19  αποθησαυριζοντας εαυτοις θεμελιον καλον εις το μελλον, ινα επιλαβωνται της οντως ζωης.
voor zichzelf een voortreffelijk fundament als een schat wegleggend voor de toekomst, opdat zij naar het werkelijke leven mogen grijpen.
 
Terwijl hij waarschuwt voor de leraren die met hun ziekelijke geest menen godsvrucht te kunnen benutten als een weg naar meer stoffelijk goed, realiseert de apostel zich ook dat er zich in hun midden reeds verschillende bemiddelde christenen bevinden en dat dit ook gedurende de hele ‘eeuw der gemeente’ zo zal blijven. En alweer uit ervaring weet hij hoe gemakkelijk het voor rijke mensen is om zich daardoor boven anderen te verheffen en te menen dat hun geld allerlei zekerheid biedt in dit leven.
 
Welnu, ook die rijke broeders hebben goddelijke raad nodig welke door Timotheüs aan hen kan worden overgebracht: Zij moeten beseffen dat er heel wat onzekerheid kleeft aan aardse rijkdommen; ze zijn geen veilige grondslag om zich daarop geheel en al te verlaten. Bezittingen kunnen gestolen worden, ze kunnen verloren gaan of vernietigd worden.
Jezus zelf had reeds de waarschuwing laten horen dat ze een bijzonder armzalig fundament vormen waarop men zijn hoop zou moeten baseren.
Hij citeerde namelijk een boer die zekerheid meende te kunnen putten uit het opslaan van zijn overvloedige oogst in grotere voorraadschuren:
 
Ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt veel goederen opgeslagen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.
God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht eist men je ziel op. Voor wie zullen dan de dingen zijn die je gereed maakte?
 
 
Dus concludeerde onze Heer: 
Aldus [vergaat het] hem die schatten vergaart voor zichzelf en niet rijk is voor God.
Hij [Jezus] nu zei tot zijn leerlingen: Daarom zeg ik jullie: Weest niet bezorgd voor de ziel, wat je zult eten; noch voor het lichaam, waarmee je je zult kleden. Want de ziel is meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding. Slaat de raven gade, dat zij niet zaaien noch oogsten; voor wie geen voorraadkamer noch schuur is, en God voedt ze! Hoeveel meer zijn jullie waard dan de vogels!
Lukas 12
 
En nu bevestigt Paulus die belofte dat God voor zijn geroepen zonen zorgt als zijzelf maar rijk zijn voor God. Hij is immers Degene die ons van alles rijkelijk voorziet om daarvan te genieten. Om die reden verdient Hij, de eeuwige God, ons absolute vertrouwen. Zouden wij het namelijk zonder de edelmoedige voorzieningen moeten stellen die Hij voor de instandhouding van het leven op aarde heeft getroffen, dan zou niemand van ons zichzelf in leven kunnen houden.
Vergelijk Hn 14:16-17; 17:25.
 
Maar ook de rijke christen kan naar het werkelijke leven grijpen. Hoe?  
Door goed te doen, rijk te zijn in juiste werken, vrijgevig, mededeelzaam.  Hij kan zich, meestal meer nog dan anderen, op zijn medemens richten en zijn middelen op een wijze gebruiken die God welgevallig is; wellicht soms in materiële zin, door de nood van anderen te lenigen, maar vooral in geestelijk opzicht. In die zin immers kan elke christen actief werkzaam zijn en daardoor schatten in de hemel voor zichzelf veilig wegleggen (Mt 6:20-21).
 
20  Ω Tιμοθεε, την παραθηκην φυλαξον, εκτρεπομενος τας βεβηλους κενοφωνιας, και αντιθεσεις της ψευδωνυμου γνωσεως,
O Timotheüs, behoed wat jou is toevertrouwd, je afwendend van de profane holle klanken en tegenstellingen van de valselijk zo genoemde kennis.
 
21  ην τινες επαγγελλομενοι περι την πιστιν ηστοχησαν.
 H χαρις μεθ υμων.
Sommigen zijn, door die [kennis] aan te hangen, van het geloof afgedwaald.
De liefderijke gunst [zij] met jullie.
 
Ook zijn laatste aanmoediging laat Paulus betrekking hebben op het hele thema van de Brief. Met het O Timotheüs bezweert hij, bijna op wanhopige wijze, zijn ‘kind’ om zijn geestelijk bezit te koesteren en zich toch vooral af te wenden van de profane holle klanken die de leraren met hun ziekelijke geest in de gemeente laten horen. Wat zij tot eigen verheerlijking te berde brengen, is slechts pseudo-kennis, vol van allerlei tegenstrijdigheden in vergelijking met de werkelijke goddelijke waarheden. Hun zogenaamde diepzinnige beschouwingen vormen feitelijk niets meer dan onheilige beuzelpraat; zij die op grond daarvan hun geestelijk leven willen leiden, kunnen vrijwel zeker zijn van geestelijke schipbreuk.
 
Timotheüs weet dus nu wat hem te doen staat in Efeze!
Paulus heeft al zijn zorgen uitgesproken; het is nu aan zijn naaste medewerker om tot handelen over te gaan. In het besef dat hij daarbij veel hulp van de hemel nodig zal hebben, wenst hij hem, maar ook alle anderen in de gemeente, Gods hulp en zegen toe: De liefderijke gunst [zij] met jullie.
 
-.-.-.-

Geen opmerkingen: