Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

donderdag 26 juni 2014

De Brief aan Titus - Hoofdstuk 1

1   Παυλος δουλος θεου, αποστολος δε Iησου Xριστου κατα πιστιν εκλεκτων θεου και επιγνωσιν αληθειας της κατ ευσεβειαν
Paulus, slaaf van God, maar apostel van Jezus Messias, overeenkomstig geloof van uitverkorenen Gods en verdiepte kennis der waarheid die samengaat met godsvrucht,
 
2   επ ελπιδι ζωης αιωνιου, ην επηγγειλατο ο αψευδης θεος προ χρονων αιωνιων,
op hoop van eeuwig leven dat de God die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofde.
 
3   εφανερωσεν δε καιροις ιδιοις τον λογον αυτου εν κηρυγματι ο επιστευθην εγω κατ επιταγην του σωτηρος ημων θεου, 
Op eigen bestemde tijden openbaarde hij evenwel zijn woord door prediking, wat ik kreeg toevertrouwd krachtens opdracht van onze Redder, God.  
 
4   Tιτω γνησιω τεκνω κατα κοινην πιστιν∙ χαρις και ειρηνη απο θεου πατρος και Xριστου Iησου του σωτηρος ημων.
Aan Titus, echt kind overeenkomstig gemeenschappelijk geloof: liefderijke gunst en vrede van Vader God, en van Messias Jezus, onze redder.
  
De Brief aan Titus is de tweede van de drie zogenaamde ‘Pastoraalbrieven’ die Paulus schreef aan twee van zijn naaste medewerkers in het Evangelie, Timotheüs en Titus, die beiden ook al in een vroeg stadium de apostel op diens reizen vergezelden. Vergelijk Hn 11:27-30 en Gl 2:1-3 in verband met Titus, en Hn 16:1-3 voor Timotheüs.
Alle aanwijzingen die we vanuit de Schrift hebben wijzen er op dat ze werden geschreven toen de apostel na afloop van zijn eerste gevangenschap te Rome - welke de periode 61-63 AD omvatte - weer rondreisde in het Oosten.
 
Toen Paulus de Eerste Brief aan Timotheüs schreef, gaf hij volgens 1Tm 3:14-15 te kennen dat hij spoedig te Efeze hoopte te arriveren:
 
Deze dingen schrijf ik je ofschoon ik hoop vlug naar je toe te komen; maar indien ik word opgehouden, opdat je moogt weten hoe men zich moet gedragen in het  Huis van God…
 
Verondersteld wordt dat hij, nadat hij dit bezoek inderdaad had gebracht, in het gezelschap van Titus naar Kreta reisde waar hij overigens –zoals we in vers 5 zullen lezen – Titus achterliet zodat deze de nodige hervormingen in de gemeenten op het eiland kon doorvoeren.
Verderop in de Brief, in 3:12, zal Paulus hem schrijven: Doe je best om, zodra ik Artemas of Tychicus tot je zend, naar mij toe te komen in Nikopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen, waaruit we mogen afleiden dat Titus voortvarend op Kreta aan het werk moest gaan aangezien de duur van zijn verblijf aldaar maar kort zou zijn.
 
Blijkbaar zou Artemas of Tychikus dan zijn taak op Kreta overnemen, zodat hijzelf voor de inval van de winter zich weer bij de apostel zou kunnen voegen te Nikopolis in Dalmatië. Waarschijnlijk vergezelde hij Paulus van daaruit naar Rome. In elke geval bevond hij zich daar tijdens diens tweede gevangenschap, want volgens 2Tm 4:10 werd hij vanuit Rome (terug) naar Dalmatië gezonden. 
 
Dat Titus door Paulus zeer werd gewaardeerd kwamen we al in de Tweede Korinthebrief te weten. In verband met de moeilijke situatie te Korinthe steunde de apostel zwaar op de inspanningen van Titus. Zie: 2Ko 2:13, 7:6-7 en 8:16-17; kortom Paulus’ trouwe metgezel (8:23).
En blijkbaar vanuit dat gezichtspunt noemt hij Titus hier op vaderlijke toon: echt kind overeenkomstig gemeenschappelijk geloof, niet noodzakelijkerwijs bedoelend dat Titus door zijn prediking en onderwijs een christen was geworden. 
 
Nu, in vers 1, noemt Paulus zich een slaaf van God, maar apostel van Jezus Messias en dat in verband met het geloof en de precieze kennis die het eigendom is van Gods uitverkorenen, de leden van Jezus’ Gemeentelichaam.  Paulus immers  had - en heeft nog steeds, mede door zijn Brieven en door zijn speciale toewijzing als apostel der Heidenvolken - een overwegend aandeel in het wekken en versterken van het geloof van allen die door God werden geroepen op grond van zijn uitverkiezing. Krachtens die toewijzing zou hij hierna nog aan Timotheüs schrijven:
 
Daarom verduur ik alle dingen ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij redding mogen verkrijgen die in Messias Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.
2Tm 2:10.
Zie ook: Rm 8:28-30 en Ef 1:3-4, waaruit mede blijkt dat het gaat om de christelijke hoop van eeuwig leven dat de God die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofde. 
 
5   Tουτου χαριν απελιπον σε εν Kρητη, ινα τα λειποντα επιδιορθωση και καταστησης κατα πολιν πρεσβυτερους, ως εγω σοι διεταξαμην,
Hierom liet ik je op Kreta achter opdat je de onafgedane zaken in orde zou brengen en van stad tot stad oudsten zou aanstellen, zoals ik je opdroeg.  
 
6   ει τις εστιν ανεγκλητος, μιας γυναικος ανηρ, τεκνα εχων πιστα, μη εν κατηγορια ασωτιας η ανυποτακτα.
Indien iemand vrij van beschuldiging is, man van één vrouw, gelovige kinderen hebbend die niet van liederlijkheid te beschuldigen of weerspannig zijn.
 
7   δει γαρ τον επισκοπον ανεγκλητον ειναι ως θεου οικονομον, μη αυθαδη, μη οργιλον, μη παροινον, μη πληκτην, μη αισχροκερδη,
Want de opziener moet als Gods beheerder vrij van beschuldiging zijn, niet eigenzinnig, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet uit op schandelijk gewin,
 
8   αλλα φιλοξενον, φιλαγαθον, σωφρονα, δικαιον, οσιον, εγκρατη,
maar gastvrij, liefhebber van het goede, bezonnen, rechtvaardig, rechtschapen, vol zelfbeheersing,  
 
9   αντεχομενον του κατα την διδαχην πιστου λογου, ινα δυνατος η και παρακαλειν εν τη διδασκαλια τη υγιαινουση και τους αντιλεγοντας ελεγχειν.
zich vasthoudend aan het naar de [ware] leer betrouwbare Woord, opdat hij in staat is zowel door de gezonde leer te bemoedigen als de tegensprekers terecht te wijzen.  
 
10  Eισιν γαρ πολλοι [και] ανυποτακτοι, ματαιολογοι και φρεναπαται, μαλιστα οι εκ της περιτομης,
Want er zijn veel weerspannigen, zinloze praters en misleiders van geest, vooral die uit de besnijdenis;  
 
11  ους δει επιστομιζειν, οιτινες ολους οικους ανατρεπουσιν διδασκοντες α μη δει αισχρου κερδους χαριν.
wie men de mond moet snoeren; zij die hele huishoudens ontwrichten, door dingen te leren die niet behoren, terwille van schandelijk gewin.  
 
De noodzaak om in de gemeenten op Kreta oudsten (opzieners) aan te stellen komt overeen met die te Efeze waar Timotheüs eerder moest nagaan wie onder de broeders aan de vereisten voor het opzienerschap beantwoordden. Ook op Kreta werd er kennelijk op het terrein van onderwijs maar wat ‘aangemodderd’.
Vergelijk 1Tm 1:3-4 >
Zoals ik je opriep om in Efeze te blijven toen ik naar Macedonië vertrok, doe ik het ook nu om zekere lieden te gebieden geen andere leer te onderwijzen,
noch zich bezig te houden met mythen en eindeloze geslachtsregisters, welke eerder aanleiding geven tot discussies dan het uitoefenen van een huishoudelijk beheer van God qua geloof.
met hier, in de vv 10 en 11 >
Want er zijn veel weerspannigen, zinloze praters en misleiders van geest, vooral die uit de besnijdenis; wie men de mond moet snoeren; zij die hele huishoudens ontwrichten, door dingen te leren die niet behoren, ter wille van schandelijk gewin.  
 
Vóór zijn vertrek had Paulus kennelijk reeds met die taak een aanvang gemaakt maar Titus moest de ‘job’ voltooien (vers 5). De voor een opziener vereiste kwaliteiten waren ongetwijfeld reeds bij Titus bekend, maar de apostel vond het nodig ze in deze Brief nog eens helder te stipuleren. In grote lijnen komen ze overeen met wat er volgens 1Tm 3:1-13 van de in Efeze aan te stellen opzieners en dienaren werd verwacht.
 
In vers 7 vermeldde de apostel met nadruk dat een oudste niet beschuldigd mocht kunnen worden dat hij op schandelijk gewin uit was. En dat deed hij niet voor niets want uit de vv 10 en 11 blijkt dat er juist op Kreta veel van zulke lieden waren: zij die hele huishoudens ontwrichten, door dingen te leren die niet behoren, ter wille van schandelijk gewin. Onder het mom van godsdienstige voorwendsels trachtten die personen zich te verrijken en dat nota bene op grond van hun eigen verzonnen leringen! Hun moest daarom de mond gesnoerd worden. Eπιστομιζω betekent letterlijk ‘de mond stoppen’; zij moesten dus met kracht tot zwijgen gebracht worden aangezien zij hele gezinnen door hun praatjes ontwrichtten.
 
12  ειπεν τις εξ αυτων, ιδιος αυτων προφητης,
Kρητες αει ψευσται, κακα θηρια, γαστερες αργαι.
Iemand uit hun midden, hun eigen profeet, zei:
"Kretenzers! Altijd leugenaars, kwaadaardige beesten, arbeidsschuwe veelvraten".  
 
13  η μαρτυρια αυτη εστιν αληθης. δι ην αιτιαν ελεγχε αυτους αποτομως, ινα υγιαινωσιν εν τη πιστει,
Dit getuigenis is waar! Wijs hen daarom scherp terecht, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof,  
 
14  μη προσεχοντες Iουδαικοις μυθοις και εντολαις ανθρωπων αποστρεφομενων την αληθειαν.
zich niet inlatend met joodse mythen en geboden van mensen die zich van de waarheid afwenden.  
 
Titus had op Kreta duidelijk een moeilijke taak te vervullen. Zonder omwegen laat Paulus hem namelijk weten dat hij moest ‘opboksen’ tegen een sinds eeuwen diep geworteld, ongunstig volkskarakter. De apostel citeert Epimenides, een op Kreta geboren priester en dichter die in de Vijfde eeuw v. Chr. te Athene leefde. De Kretenzische bevolking aanvaardde hem kennelijk als een persoon met gezag; voor hen was hij een ‘profeet’. Maar zijn oordeel over hen was bepaald niet zacht: Leugenaars zijn de Kretenzers; kwaadaardige beesten, vadsige buiken, die er maar op los liegen. Tekenend is wat Ovidius ooit eens gezegd zou hebben: “Zelfs de Kretenzen liegen niet alles”.
 
Paulus zelf had kennelijk de zelfde ervaring opgedaan: “Wat die Epimenides ooit omtrent zijn eigen landgenoten getuigde, klopt helemaal; dát zijn nu eenmaal de feiten”. Maar het erge was dat zelfs degenen die inmiddels het Christendom hadden aanvaard, zich (nog) niet aan de ondeugden van hun volk hadden ontworsteld, want anders zou hij Titus nooit geschreven hebben:
Wijs hen daarom scherp terecht, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, zich niet inlatend met joodse mythen en geboden van mensen die zich van de waarheid afwenden.  
 
15  παντα καθαρα τοις καθαροις∙ τοις δε μεμιαμμενοις και απιστοις ουδεν καθαρον, αλλα μεμιανται αυτων και ο νους και η συνειδησις.
Voor de reinen [zijn] alle dingen rein, maar voor hen die bezoedeld zijn en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is bezoedeld.  
 
16  θεον ομολογουσιν ειδεναι, τοις δε εργοις αρνουνται, βδελυκτοι οντες και απειθεις και προς παν εργον αγαθον αδοκιμοι.
Zij belijden God te kennen, maar zij logenstraffen [het] door de daden, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en voor elk goed werk ongeschikt.  
 
De Kretenzische christenen stonden voor de enorme uitdaging om ‘anders’ te worden; zij zouden zich moeten reinigen van de vele ondeugden die de eilandbevolking al generaties lang aankleefden. Van geslacht op geslacht hadden die mensen hun leven te midden van heidense onreinheden geleid. Die bezoedeling had tot gevolg gehad dat zij alle zaken, ook de reine en gezonde, met een onreine blik benaderden. Wanneer naar op zich reine dingen wordt gekeken door mensen wier geest besmet is door de immorele denkwijze van deze wereld, ziet men er kans toe zelfs iets reins en heilzaams er smerig uit te laten zien.
 
Paulus maakt in verband daarmee melding van de meest laakbare vorm van huichelarij: personen die beweren dienstknechten van God te zijn maar die niet overeenkomstig hun bewering leven. Hoewel zij ogenschijnlijk een vorm van godsvrucht ten toon spreiden, is deze toch alleen maar huichelachtig. In werkelijkheid geloven zij niet dat godsvrucht werkelijke rijkdommen zal brengen: geestelijke gezindheid, leven en vrede. Hun vorm van godvruchtige toewijding is een vals front om hun zelfzuchtige, immorele levenswijze een “heilig” voorkomen te geven. In werkelijkheid zijn zij verfoeilijk, ongehoorzaam; voor elk goed werk ongeschikt.  

donderdag 5 juni 2014

Eerste Brief aan Timotheüs - Hoofdstuk 6

1   Oσοι εισιν υπο ζυγον δουλοι, τους ιδιους δεσποτας πασης τιμης αξιους ηγεισθωσαν, ινα μη το ονομα του θεου και η διδασκαλια βλασφημηται.
Laten allen die onder een slavenjuk zijn, de eigen meesters alle eer waardig achten, opdat de naam van God en de leer niet gelasterd worden.
 
2   οι δε πιστους εχοντες δεσποτας μη καταφρονειτωσαν, οτι αδελφοι εισιν∙ αλλα μαλλον δουλευετωσαν, οτι πιστοι εισιν και αγαπητοι οι της ευεργεσιας αντιλαμβανομενοι.
Tαυτα διδασκε και παρακαλει.
Zij die gelovige meesters hebben, moeten [hen] niet minder achten omdat zij broeders zijn, maar [hen] des te meer dienen, omdat zij die van het goede gedrag voordeel trekken, gelovigen en geliefden zijn.
Leer en moedig deze dingen aan.
 
In die vroege dagen van het Christendom waren de relaties binnen een christengemeenschap niet beperkt tot die van de afzonderlijke leden ten opzichte van hun oudsten (opzieners). Gezien de toen algemeen heersende slavernij kon het gebeuren dat binnen de broederschap zelf de één een meester was en een ander een slaaf. De vraag deed zich daarom voor hoe de verhoudingen in dat geval sociaal lagen. Had een christelijke slaaf een niet gelovige meester dan was de zaak vrij duidelijk: Geestelijk gevoed vanuit de waarheden omtrent het Christendom mocht van de slaaf verwacht worden dat hij zijn heidense meester van harte en zonder voorbehoud gehoorzaam was.
 
Tegendraads handelen paste een christelijke slaaf niet, noch het aannemen van een hoogmoedige houding, wellicht in de mening verkerend dat hij, met zijn christelijke achtergrond, ver verheven was boven een Heiden. Daardoor zou echter veeleer de naam van God, maar ook de ware leer, gelasterd worden.
Al in zijn Kolossenzenbrief had Paulus, kennelijk mede in verband met de kwestie Onesimus, de volgende richtlijn aangegeven:
 
De slaven, gehoorzaamt naar alles de heren naar het vlees, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar in oprechtheid van hart, met ontzag voor de Heer. Wat jullie ook doen, werkt met hart en ziel, als voor de Heer en niet voor mensen, wetend dat jullie van de Heer als vergoeding de erfenis zullen ontvangen; dient de Heer Messias als slaven. Want wie onrecht doet, zal wat hij aan onrecht deed, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons.
( Ks 3:22-25 )
 
De nieuwe norm, dat in de Messias christelijke gelijkheid geldt wat betreft de nieuwe mens, bracht op zich geen verandering in het gegeven dat allen nog steeds leefden binnen een maatschappij die volgens gezagsverhoudingen geordend was.
Paulus bijvoorbeeld trachtte niet de bestaande sociale verhoudingen van die tijd te wijzigen. Zo had hij, in 1Ko 7:20-24, slaven al eerder de raad gegeven die verhoudingen te accepteren. En ook nu, in deze Brief, vermaant hij Timotheüs er op toe te zien dat christelijke slaven hun meesters naar het vlees hoogachten en van die leidraad niet af te wijken als de meester ook zelf een christen is.
 
De neiging kon immers bestaan om hem vanwege die positie - die men wellicht voor een christen bedenkelijk achtte - minder broederlijke achting en/of genegenheid te betonen. Integendeel, vermaant Paulus, aangezien zij broeders zijn moet men hen juist met des te meer inzet dienstbaar zijn. De gemeenschap in hetzelfde geloof en in de liefde Gods is een reden te meer om de christelijke meester van harte, uit innerlijke overtuiging, te dienen.
   
 
3   ει τις ετεροδιδασκαλει και μη προσερχεται υγιαινουσιν λογοις, τοις του κυριου ημων Iησου Xριστου και τη κατ ευσεβειαν διδασκαλια, 
Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias, en naar de leer die overeenkomstig godsvrucht [is],
 
4   τετυφωται μηδεν επισταμενος, αλλα νοσων περι ζητησεις και λογομαχιας, εξ ων γινεται φθονος, ερις, βλασφημιαι, υπονοιαι πονηραι,
is hij opgeblazen, ofschoon hij niets begrijpt. Maar hij heeft een ziekelijke neiging tot twistvragen en woordenstrijd, waaruit ontstaan: afgunst, ruzie, lasteringen, boze vermoedens,
 
5   διαπαρατριβαι διεφθαρμενων ανθρωπων τον νουν και απεστερημενων της αληθειας, νομιζοντων πορισμον ειναι την ευσεβειαν,
voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd; die menen dat de godsvrucht een winstbron is.
 
Opnieuw keert Paulus terug naar het eigenlijke onderwerp van deze Brief: Sommigen, vooral de ‘leraren’ uit joodse hoek, te gebieden geen andere leer te onderwijzen, noch zich bezig te houden met mythen en eindeloze geslachtsregisters, welke eerder aanleiding geven tot discussies dan het uitoefenen van een huishoudelijk beheer van God qua geloof. Zie: 1:3-4.
 
Door zich nu in te leiden met Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias, en naar de leer die overeenkomstig godsvrucht [is], geeft hij bedekt te kennen dat hij niet werkelijk verwacht dat die ‘leraren’, met hun ziekelijke weetgierigheid, makkelijk geneigd zullen zijn hun vreemdsoortige leringen prijs te geven en zich van harte toe te leggen op de gezonde woorden, die van onze Heer Jezus Messias. 
 
Timotheüs kan er dus rekening mee houden dat geruzie in verband met twistvragen en woordenstrijd niet zomaar tot het verleden zullen gaan behoren. Die leraren zullen zich echt niet uit eigen beweging voegen, aangezien zij ten diepste verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd; in de mening verkerend dat de godsvrucht een winstbron is.
Het gaat bij die personen niet echt om de goddelijke waarheid, maar veeleer om het voedsel geven aan de eigen hoogmoed en tegelijkertijd de tegenstander te vernederen. Zij missen eenvoudig het vermogen onderscheid te maken tussen datgene wat zowel godsdienstig als zedelijk waardevol is, en de nutteloze bespiegelingen waaraan zij zichzelf bij voorkeur overgeven. Het eindresultaat voor hen is dat zij geheel berooid achterblijven wat betreft de kennis van de werkelijke, goddelijke waarheden. Hun godsvrucht is onecht en wordt bovendien slechts benut als ‘winstbron’.
 
6   εστιν δε πορισμος μεγας η ευσεβεια μετα αυταρκειας∙
Zeker,de godsvrucht is een grote winstbron indien men tevreden is met wat men heeft;
 
7   ουδεν γαρ εισηνεγκαμεν εις τον κοσμον, οτι ουδε εξενεγκειν τι δυναμεθα∙
want wij hebben niets in de wereld meegebracht, omdat wij er ook niets uit kunnen wegdragen.
 
8   εχοντες δε διατροφας και σκεπασματα, τουτοις αρκεσθησομεθα.
Hebben wij echter voeding en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.
 
9   οι δε βουλομενοι πλουτειν εμπιπτουσιν εις πειρασμον και παγιδα και επιθυμιας πολλας ανοητους και βλαβερας, αιτινες βυθιζουσιν τους ανθρωπους εις ολεθρον και απωλειαν∙
Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.
 
10  ριζα γαρ παντων των κακων εστιν η φιλαργυρια, ης τινες ορεγομενοι απεπλανηθησαν απο της πιστεως και εαυτους περιεπειραν οδυναις πολλαις.
Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daaraan toe te geven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.
 
De echte godsvrucht is inderdaad een ‘winstbron’, een zeer rijke zelfs, maar dat uiteraard in een geheel andere betekenis dan in de opvattingen der leraren die van de goddelijke waarheid beroofd waren! Zij konden slechts aan stoffelijke voordelen denken.
Daarom voegt Paulus er in vers 6 aan toe (letterlijk): met autarkie. De uitdrukking zouden we in onze tijd kunnen weergeven met ‘zelfredzaamheid’; in de Oudheid betekende ze zelf-genoeg-zaamheid, maar dan in de zin dat men in staat was in de eigen behoeften te voorzien. De uitdrukking is afgeleid van autarkès: in staat zich te verdedigen; onafhankelijk zijn van anderen.
 
Voor een christen is autarkie voldoende, zoals Paulus verder motiveert: Omdat wij bij de dood niets uit deze wereld kunnen meenemen, regelde God het zo dat wij bij onze geboorte er ook niets in meebrachten!
Voor ons, christenen, ligt daarin de les opgesloten dat aardse goederen nooit het doel moeten zijn waarop men zich richt. Het beginsel der autarkie houdt voor ons in dat we tevreden kunnen zijn met voedsel en (letterlijk, in de meervoudsvorm): beschutting/bedekking, doelend op kleding en de beschutting van een huis.
 
Wanneer een christen het doel van zijn leven begrijpt zal hij niet in de strik vallen van zoveel mensen die menen dat zij pas echt gelukkig kunnen zijn als zij veel ‘geld en goed’ kunnen vergaren. Maar geldzucht is een wortel van allerlei kwaad die, volgens de geïnspireerde apostel, de mensen slechts doet wegzinken in verderf en ondergang. Al in zijn dagen had hij waargenomen dat sommigen die meenden christenen te zijn, maar die hun streven op de geldzucht hadden gericht, zich niet alleen met vele smarten hadden doorboord, maar daardoor ook – nog veel erger - van het geloof waren afgedwaald.
 
11  Συ δε, ω ανθρωπε θεου, ταυτα φευγε∙ διωκε δε δικαιοσυνην, ευσεβειαν, πιστιν, αγαπην, υπομονην. πραυπαθιαν.
Maar jij, o mens Gods, moet deze dingen ontvluchten; jaag daarentegen naar rechtvaardigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtaardigheid.
 
12  αγωνιζου τον καλον αγωνα της πιστεως, επιλαβου της αιωνιου ζωης, εις ην εκληθης και ωμολογησας την καλην ομολογιαν ενωπιον πολλων μαρτυρων.
Strijd de voortreffelijke strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven vast, waartoe je werd geroepen, en waarvan je de juiste belijdenis aflegde ten overstaan van vele getuigen.
 
Met maar jij, o mens Gods plaatst de apostel Timotheüs uitdrukkelijk tegenover de leraren die in hun vermeende godsvrucht slechts door geldzucht werden gedreven en die, als gevolg daarvan, met vele smarten werden doorboord. In plaats van zulk ongezond streven moet hij zich - precies zoals het geval was met vele OT-personen - een mens Gods betonen die voortreffelijke hoedanigheden najaagt, waaronder:
- rechtvaardigheid
- godsvrucht
- geloof
- liefde
- volharding
- zachtaardigheid,
weliswaar passend voor elke christen, maar zeker wenselijk voor iemand die een opzienersambt bekleedt.
 
Vergelijk Dt 33:1, waar Mozes de man Gods wordt genoemd.
1Sm 2:27 > Een zekere man Gods kwam tot Eli.
1Sm 9:6 > Sauls knecht wist dat er in de stad die zij nabij waren een man Gods, een ziener, woonde die hoog in aanzien stond bij het volk, en Samuël bleek te zijn.
Zie ook: 2Kn 5:8, waar de profeet Elisa als de man Gods wordt aangeduid die volgens een Israëlitisch meisje Naäman van zijn melaatsheid zou kunnen genezen.
 
Genoemde hoedanigheden zijn des te meer gewenst omdat elke christen de strijd van het geloof kent en die strijd speelt zich, wat hem betreft, vooral in de bovennatuurlijke sfeer af waar we, zoals Paulus eerder aangaf in Ef 6:10-13, een ‘worsteling’ hebben met de goddeloze geestenkrachten, de wereldheersers van deze duisternis.
Het is evenwel een “voortreffelijke” strijd, helemaal erop gericht om het eeuwige leven stevig vast te grijpen, de ‘prijs’ waartoe we geroepen zijn. Zoals velen konden bevestigen had Timotheüs zelf dikwijls inhoudelijk daarvan getuigd. Net als Paulus zelf schaamde hij zich het Evangelie niet als een kracht Gods tot redding voor een ieder die gelooft (Rm 1:16)
 
13  παραγγελλω [σοι] ενωπιον του θεου του ζωογονουντος τα παντα και Xριστου Iησου του μαρτυρησαντος επι Ποντιου Πιλατου την καλην ομολογιαν,
Voor het aangezicht van God - die alle dingen tot leven wekt - en Messias Jezus - die voor Pontius Pilatus de voortreffelijke belijdenis betuigde - gebied ik je
 
14  τηρησαι σε την εντολην ασπιλον ανεπιλημπτον μεχρι της επιφανειας του κυριου ημων Iησου Xριστου.
dat je het gebod onbevlekt en onberispelijk onderhoudt tot de manifestatie van onze Heer Jezus Messias,
 
15  ην καιροις ιδιοις δειξει ο μακαριος και μονος δυναστης, ο βασιλευς των βασιλευοντων και κυριος των κυριευοντων,
die de gelukkige en enige Heerser - de Koning der koningen en Heer der heren - op eigen tijden zal tonen,
 
16  ο μονος εχων αθανασιαν, φως οικων απροσιτον, ον ειδεν ουδεις ανθρωπων ουδε ιδειν δυναται∙ ω τιμη και κρατος αιωνιον∙ αμην.
hij die alleen onsterfelijkheid bezit, een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens zag noch zien kan; hem zij eer en eeuwige macht! Amen.
 
Met een beroep op de hoogste Autoriteit in het universum, God zelf, gebiedt de apostel Timotheüs tenslotte om toch vooral gehoor te geven aan het gebod, namelijk aan alle aansporingen die hij zijn pupil in deze Brief had aangereikt om toch vooral vastberaden op te treden tegen de opgeblazen leraren met hun ziekelijke neiging tot twistvragen en woordenstrijd. 
Slechts dan zou het onderwijs in de Efezische gemeenschap weer ‘gezonde’ trekken kunnen krijgen en van een aanvaardbaar, geestelijk gehalte worden. In de moeilijke praktijk van de dagelijkse gang van zaken hield een en ander in kordaat op te treden tegen hen die met hun verdorven denken slechts de Tegenstander in de kaart speelden.  
 
Maar Timotheüs mocht het bewustzijn hebben dat Gods Zoon hem in die moeilijke opdracht terzijde zou staan, hij die zelf, toen hij voor Pilatus terecht stond, met vrijmoedigheid getuigenis had afgelegd van Gods oppermacht en diens komend Wereldrijk:
 
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.  Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.
 
Maar boven allen, ook boven Jezus, zijn Zoon, stond toch God zelf, Degene met een voor mensen niet te begrijpen, unieke achtergrond: De gelukkige en enige Heerser - de Koning der koningen en Heer der heren – Hij die alleen onsterfelijkheid bezit, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens zag noch zien kan; hem die [daarom] eer en eeuwige macht toekomt! 
Op de tijden die Hijzelf daarvoor bestemde zal hij de verwachting van alle gelovigen inlossen: de manifestatie van zijn Zoon, onze Heer Jezus Messias.
 
Met het aanbreken van de 70e Jaarweek, bij het blazen van de laatste trompet, zal die manifestatie een aanvang nemen. De Gemeente zal hij dan vanuit de lucht tot zich roepen (1Th 4:13-17). Maar andere manifestaties zullen volgen in zijn paroesie, die de voleinding der eeuw inhoudt (Mt 24:3).
Wanneer bij voorbeeld de Antichristelijke Wetteloze wordt geopenbaard zal hij die macht verteren door de geest van zijn mond en teniet doen door de manifestatie van zijn paroesie (2Th 2:8).
En bij de climax van zijn paroesie, wanneer hij komt ten oordeel, zal hij zich manifesteren als de Mensenzoon die komt op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid (Mt 24:30).
 
Welnu, in dit besef en tegen deze achtergrond hoeft Timotheüs niet wankelmoedig te zijn. Er blijft geen enkele valide reden over om te aarzelen en niet tot krachtdadig handelen over te gaan. Evenzo kunnen alle christenen, als mensen van God, van standvastigheid blijk geven, vooral onder uitdagende situaties. Want eerder schreef Paulus ook (in 1Ko 1:8-9) >
 
Onze Heer Jezus Messias, die jullie ook ten einde toe standvastig zal maken, zonder blaam in de Dag van onze Heer Jezus Messias. God is getrouw door wie jullie werden geroepen tot gemeenschap van zijn Zoon Jezus Messias, onze Heer.
 
17  Tοις πλουσιοις εν τω νυν αιωνι παραγγελλε μη υψηλοφρονειν μηδε ηλπικεναι επι πλουτου αδηλοτητι, αλλ επι θεω τω παρεχοντι ημιν παντα πλουσιως εις απολαυσιν,
Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op de onzekerheid van de rijkdom, maar op God die ons van alles rijkelijk voorziet om daarvan te genieten,
 
18  αγαθοεργειν, πλουτειν εν εργοις καλοις, ευμεταδοτους ειναι, κοινωνικους,
 goed te doen, rijk te zijn in juiste werken, vrijgevig, mededeelzaam,
 
19  αποθησαυριζοντας εαυτοις θεμελιον καλον εις το μελλον, ινα επιλαβωνται της οντως ζωης.
voor zichzelf een voortreffelijk fundament als een schat wegleggend voor de toekomst, opdat zij naar het werkelijke leven mogen grijpen.
 
Terwijl hij waarschuwt voor de leraren die met hun ziekelijke geest menen godsvrucht te kunnen benutten als een weg naar meer stoffelijk goed, realiseert de apostel zich ook dat er zich in hun midden reeds verschillende bemiddelde christenen bevinden en dat dit ook gedurende de hele ‘eeuw der gemeente’ zo zal blijven. En alweer uit ervaring weet hij hoe gemakkelijk het voor rijke mensen is om zich daardoor boven anderen te verheffen en te menen dat hun geld allerlei zekerheid biedt in dit leven.
 
Welnu, ook die rijke broeders hebben goddelijke raad nodig welke door Timotheüs aan hen kan worden overgebracht: Zij moeten beseffen dat er heel wat onzekerheid kleeft aan aardse rijkdommen; ze zijn geen veilige grondslag om zich daarop geheel en al te verlaten. Bezittingen kunnen gestolen worden, ze kunnen verloren gaan of vernietigd worden.
Jezus zelf had reeds de waarschuwing laten horen dat ze een bijzonder armzalig fundament vormen waarop men zijn hoop zou moeten baseren.
Hij citeerde namelijk een boer die zekerheid meende te kunnen putten uit het opslaan van zijn overvloedige oogst in grotere voorraadschuren:
 
Ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt veel goederen opgeslagen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.
God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht eist men je ziel op. Voor wie zullen dan de dingen zijn die je gereed maakte?
 
 
Dus concludeerde onze Heer: 
Aldus [vergaat het] hem die schatten vergaart voor zichzelf en niet rijk is voor God.
Hij [Jezus] nu zei tot zijn leerlingen: Daarom zeg ik jullie: Weest niet bezorgd voor de ziel, wat je zult eten; noch voor het lichaam, waarmee je je zult kleden. Want de ziel is meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding. Slaat de raven gade, dat zij niet zaaien noch oogsten; voor wie geen voorraadkamer noch schuur is, en God voedt ze! Hoeveel meer zijn jullie waard dan de vogels!
Lukas 12
 
En nu bevestigt Paulus die belofte dat God voor zijn geroepen zonen zorgt als zijzelf maar rijk zijn voor God. Hij is immers Degene die ons van alles rijkelijk voorziet om daarvan te genieten. Om die reden verdient Hij, de eeuwige God, ons absolute vertrouwen. Zouden wij het namelijk zonder de edelmoedige voorzieningen moeten stellen die Hij voor de instandhouding van het leven op aarde heeft getroffen, dan zou niemand van ons zichzelf in leven kunnen houden.
Vergelijk Hn 14:16-17; 17:25.
 
Maar ook de rijke christen kan naar het werkelijke leven grijpen. Hoe?  
Door goed te doen, rijk te zijn in juiste werken, vrijgevig, mededeelzaam.  Hij kan zich, meestal meer nog dan anderen, op zijn medemens richten en zijn middelen op een wijze gebruiken die God welgevallig is; wellicht soms in materiële zin, door de nood van anderen te lenigen, maar vooral in geestelijk opzicht. In die zin immers kan elke christen actief werkzaam zijn en daardoor schatten in de hemel voor zichzelf veilig wegleggen (Mt 6:20-21).
 
20  Ω Tιμοθεε, την παραθηκην φυλαξον, εκτρεπομενος τας βεβηλους κενοφωνιας, και αντιθεσεις της ψευδωνυμου γνωσεως,
O Timotheüs, behoed wat jou is toevertrouwd, je afwendend van de profane holle klanken en tegenstellingen van de valselijk zo genoemde kennis.
 
21  ην τινες επαγγελλομενοι περι την πιστιν ηστοχησαν.
 H χαρις μεθ υμων.
Sommigen zijn, door die [kennis] aan te hangen, van het geloof afgedwaald.
De liefderijke gunst [zij] met jullie.
 
Ook zijn laatste aanmoediging laat Paulus betrekking hebben op het hele thema van de Brief. Met het O Timotheüs bezweert hij, bijna op wanhopige wijze, zijn ‘kind’ om zijn geestelijk bezit te koesteren en zich toch vooral af te wenden van de profane holle klanken die de leraren met hun ziekelijke geest in de gemeente laten horen. Wat zij tot eigen verheerlijking te berde brengen, is slechts pseudo-kennis, vol van allerlei tegenstrijdigheden in vergelijking met de werkelijke goddelijke waarheden. Hun zogenaamde diepzinnige beschouwingen vormen feitelijk niets meer dan onheilige beuzelpraat; zij die op grond daarvan hun geestelijk leven willen leiden, kunnen vrijwel zeker zijn van geestelijke schipbreuk.
 
Timotheüs weet dus nu wat hem te doen staat in Efeze!
Paulus heeft al zijn zorgen uitgesproken; het is nu aan zijn naaste medewerker om tot handelen over te gaan. In het besef dat hij daarbij veel hulp van de hemel nodig zal hebben, wenst hij hem, maar ook alle anderen in de gemeente, Gods hulp en zegen toe: De liefderijke gunst [zij] met jullie.
 
-.-.-.-