Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

zondag 4 mei 2014

Eerste Brief aan Timotheüs - Hoofdstuk 1

1   Παυλος αποστολος Xριστου Iησου κατ επιταγην θεου σωτηρος ημων και Xριστου Iησου της ελπιδος ημων
Paulus, een apostel van Messias Jezus naar het bevel van God, onze Redder, en van Messias Jezus, onze hoop, 
 
2   Tιμοθεω γνησιω τεκνω εν πιστει∙ χαρις, ελεος, ειρηνη απο θεου πατρος και Xριστου Iησου του κυριου ημων.
aan Timotheüs, een echt kind in het geloof. Liefderijke gunst, barmhartigheid, vrede van God, de Vader, en van Messias Jezus, onze Heer.
 
Dit is de eerste van de drie zogenaamde ‘Pastoraalbrieven’ die Paulus schreef aan twee van zijn naaste medewerkers in het Evangelie, Timotheüs en Titus, die beiden ook al in een vroeg stadium de apostel op diens reizen vergezelden.
Vergelijk Hn 11:27-30 en Gl 2:1-3 in verband met Titus, en Hn 16:1-3 voor Timotheüs.
 
Alle aanwijzingen die we vanuit de Schrift hebben wijzen er op dat ze werden geschreven toen de apostel na afloop van zijn eerste gevangenschap te Rome - welke de periode 61-63 AD omvatte - weer rondreisde in het Oosten.
Aangenomen wordt dat Eén Timotheüs ontstond in 64 AD toen Paulus, nadat hij een bezoek aan Westelijk Klein Azie gebracht had, naar Macedonië en mogelijk ook naar Korinthe reisde.
 
Hoewel de apostel in de Inleiding Timotheüs aanduidt als een echt of waarachtig kind van hem in het geloof, daarmee zijn genegenheid voor hem betuigend, richt hij zich toch tot hem in de officiële hoedanigheid van een apostel die zowel namens God als diens Zoon optreedt. 
In beide verzen herkennen we overigens de eenheid die er bestaat tussen de Vader Jahweh, de enige waarachtige God, en hem die gij uitzond, Jezus Messias (Jh 17:3), een eenheid die ook Johannes beklemtoonde in Jh 10:27-30. Daar tonen zij één te zijn doordat zij dezelfde zorg voor de ‘schapen’ hebben:
 
Mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij. En ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins ten onder gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand rukken. Mijn Vader die ze mij gaf is groter dan alle dingen, en niemand kan uit de hand van de Vader rukken. Ik en de Vader zijn één.
 
Hier zien we de eenheid terug in
a. het bevel of opdracht aan Paulus, afkomstig van zowel God als Jezus, om in de status van apostel dienstbaar te zijn;
b. God die onze eigenlijke Redder is, terwijl de hoop daarop verbonden wordt met zijn Zoon.
Alle beschikkingen waardoor onze redding een mogelijkheid werd kwamen uiteindelijk bij God vandaan, maar de hoop dat ze ook aan ons in vervulling gaan berust op de getrouwe gehoorzaamheid van de Zoon aan die beschikkingen.
c. De zegenwens voor liefderijke gunst, barmhartigheid, vrede ontvangt Timotheüs zowel van God, de Vader als van Messias Jezus, onze Heer.
 
3   Kαθως παρεκαλεσα σε προσμειναι εν Eφεσω πορευομενος εις Mακεδονιαν, ινα παραγγειλης τισιν μη ετεροδιδασκαλειν
Zoals ik je opriep om in Efeze te blijven toen ik naar Macedonië vertrok, doe ik het ook nu om zekere lieden te gebieden geen andere leer te onderwijzen,
 
4   μηδε προσεχειν μυθοις και γενεαλογιαις απεραντοις, αιτινες εκζητησεις παρεχουσιν μαλλον η οικονομιαν θεου την εν πιστει∙
noch zich bezig te houden met mythen en eindeloze geslachtsregisters, welke eerder aanleiding geven tot discussies dan het uitoefenen van een huishoudelijk beheer van God qua geloof.
 
5   το δε τελος της παραγγελιας εστιν αγαπη εκ καθαρας καρδιας και συνειδησεως αγαθης και πιστεως ανυποκριτου, 
Het doel nu van de oproep is liefde uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof. 
 
Uit Zoals ik je opriep om in Efeze te blijven toen ik naar Macedonië vertrok, moeten we kennelijk afleiden dat beiden enige tijd in Efeze vertoefden. Paulus reisde vervolgens verder (naar Macedonie) zonder Timotheüs zodat deze orde op zaken kon stellen in de gemeente. Paulus had namelijk geconstateerd dat zekere lieden, waarschijnlijk christenen met een joodse achtergrond, verkeerd bezig waren. Niet dat zij een ‘andersoortig Evangelie’ verbreidden, zoals veel christenen met een judaïstische achtergrond destijds geneigd waren te doen – iets waartegen Paulus ernstig polemiseerde ( Gl 1:6-9) – maar eerder dat zij op de voor joodse mensen typerende wijze zich bezig hielden met Oudtestamentische kwesties en –verhalen.
 
De joodse literatuur getuigt daarvan overvloedig. Paulus noemt met name de fantasierijke joodse fabels of mythen en de discussies omtrent geslachtslijsten. Men kan zich met zulke zaken eindeloos bezig houden, er over disputeren of er nieuwe denkbeelden over opperen om spectaculair over te komen bij anderen.
Uit Titus 3:9
 
Maar dwaze speculaties en geslachtsregisters en geruzie en strijdpunten over de wet moet je uit de weg gaan; want ze zijn nutteloos en zonder inhoud.  
 
kunnen we vaststellen dat het onder de joodse christenen op Kreta al niet veel anders toeging. In plaats dat er gezond onderwijs in de plaatselijke gemeenschappen werd gegeven, waardoor er iets werd uitgedeeld in verband met geloof en de medechristen werd opgebouwd en geestelijk versterkt – de oikonomia of ‘huisbeheer’ van God, waarop Paulus zichzelf toelegde (1Ko 4:1-2) – leidden de haarkloverijen slechts tot nutteloos gespeculeer, of ernstiger, tot heftige twistpunten. Voor Timotheüs best een moeilijke uitdaging, zoals ook verder uit deze Brief zal blijken, aangezien die joodse lieden zeer waarschijnlijk het leraarsambt officieel bekleedden en aldus grote invloed op de gemeenteleden uitoefenden.
 
Toch roept Paulus hem op – ook nu in de Brief, dus voor de tweede maal – orde op het onderwijs te stellen, zodat er werkelijk geestelijke kracht vanuit zal gaan. De apostel motiveert zijn oproep daartoe aldus: liefde uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof, want het is immers vooral de onderlinge liefde die zwaar in het gedrang komt bij al het gedisputeer. 
Leraren moeten gedreven worden door zuivere, reine bedoelingen, daarbij de belangen van de ander werkelijk op het oog hebbend. En uiteraard dienen zij te spreken vanuit een diep geloof dat ook zijzelf hebben in Gods voorzieningen, zonder zich daarbij aan gehuichel schuldig te maken.
 
6   ων τινες αστοχησαντες εξετραπησαν εις ματαιολογιαν,
Door daarvan af te wijken vervielen sommigen tot zinloos gepraat.
 
7   θελοντες ειναι νομοδιδασκαλοι, μη νοουντες μητε α λεγουσιν μητε περι τινων διαβεβαιουνται.
Terwijl zij leraren der Wet willen zijn, begrijpen zij niet eens de dingen die zij zeggen noch de zaken waaromtrent zij stellige uitspraken doen.
 
Met zijn vaststelling dat sommigen tot zinloos gepraat zijn vervallen doordat zij daarvan afweken, doelt Paulus op de drie bronnen waaruit liefdevol gegeven onderwijs moet voortkomen. De leraren van vers 3 hebben geen rein hart, geen goed geweten en ook geen ongeveinsd geloof. Bij hun nutteloze bespiegelingen denken zij slechts aan eigen voordeel en belang (geen rein hart). Van die slechte situatie zijn zij zich zelfs bewust (geen goed geweten); en zij missen een krachtige, innerlijke overtuiging (geen ongeveinsd geloof).
 
Waarschijnlijk hielden die van oorsprong joodse leraren zich bezig met nutteloze bespiegelingen over allerlei quasi religieuze onderwerpen waarvan zijzelf niet eens het fijne wisten, bijvoorbeeld over het handelen van God, de activiteiten van engelen; over de hemel en de kosmos, kortom, veel thema’s die men ook kan terugvinden in de joodse apocriefe geschriften. Hun beschouwingen leken voor de hoorder van diepzinnige aard te zijn maar werden in werkelijkheid door henzelf niet eens begrepen. Dat tekort maskeerden ze vervolgens door er niettemin met grote stelligheid over te spreken.
 
8   Oιδαμεν δε οτι καλος ο νομος εαν τις αυτω νομιμως χρηται,
Wij nu weten dat de Wet voortreffelijk is in het geval dat men haar wettig hanteert, 
 
9   ειδως τουτο, οτι δικαιω νομος ου κειται, ανομοις δε και ανυποτακτοις, ασεβεσιν και αμαρτωλοις, ανοσιοις και βεβηλοις, πατρολωαις και μητρολωαις, ανδροφονοις,
in de wetenschap dat wet niet wordt afgekondigd voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en profane lieden, voor hen die de hand aan vader of moeder slaan, voor doodslagers,  
 
10  πορνοις, αρσενοκοιταις, ανδραποδισταις, ψευσταις, επιορκοις, και ει τι ετερον τη υγιαινουση διδασκαλια αντικειται, 
voor hoereerders, voor mannen die met mannen slapen, voor mensenhandelaars, voor leugenaars, voor meinedigen, en al wat verder strijdig is met de gezonde leer,
 
11  κατα το ευαγγελιον της δοξης του μακαριου θεου, ο επιστευθην εγω.
naar het Evangelie van de heerlijkheid der gelukkige God dat mij werd toevertrouwd. 
 
Paulus betoogt dat de Wet inhoudelijk zedelijk goed is, alsook geestelijk en heilig, zoals hij eerder had uitgelegd in de Romeinenbrief (Rm 7:12, 14). Maar het gaat er vooral om dat men de Wet [nomos] wettig [nominoos] hanteert. Als een leraar daarom in zijn onderwijs van de Wet uitgaat, moet hij wel recht doen aan de inhoud  ervan.
In het geval van christenen moeten dezen zich rekenschap geven van het feit dat wetgeving, globaal genomen, nodig is om die personen te beteugelen die geneigd zijn wetteloos te leven en te handelen. Een rechtvaardig mens heeft immers geen wet nodig en dat geldt wel bijzonder voor elke ware christen, aangezien die door de geest van God wordt geleid wat hem in staat stelt volgens de rechtvaardige eis van de Wet te leven. In Rm 8:3-4 had Paulus die nieuwe situatie als volgt toegelicht:
 
Want wat de Wet niet vermocht, machteloos als ze was door het [van Adam overgeërfde] vlees [bracht God tot stand door zijn geest], die zijn eigen Zoon zond in [de] gestalte van zondig vlees en betreffende zonde, [waardoor hij] de zonde in het vlees veroordeelde, opdat de rechtvaardige eis van de Wet vervuld zou worden in ons, die niet naar vlees wandelen, maar naar geest.
 
Maar buiten de christelijke Gemeente hebben allen, en met name de kwaadwilligen, wettelijke beperkingen nodig om hen op de ‘rechte weg’ te houden. Met vooral verwijzingen naar de geboden der Decaloog somt de apostel hen op: wettelozen, weerspannigen, goddelozen, zondaars, onheiligen en zij die heilige zaken ontwijden. Ook kinderen die de hand aan vader of moeder slaan. Verder doodslagers, ontuchtplegers, mannen die met mannen slapen, mensenhandelaars, leugenaars en meinedigen. Wel beseffend dat met die opsomming de lijst niet volledig is, voegt hij er aan toe: en al wat verder strijdig is met de gezonde leer, een term die als een soort mantra terugkeert in de Pastoraalbrieven.
 
Samengevat zouden we - wellicht wat gewaagd - kunnen besluiten dat alle opvattingen die afwijken van de gezonde leer van het Evangelie als ongezond, ja, als ziekelijk gekwalificeerd moeten worden. En die benadering verleent nog meer ondersteuning aan Paulus’ vertrekpunt, namelijk dat zij die in de kracht van Gods geest hun leven leiden, met geloof in Jezus’ van zonden bevrijdend offer, geen beteugelende wetgeving nodig hebben. Verkerend in die sfeer kunnen christenen een grote mate van geluk ervaren. En geen wonder ook, want die levenssfeer is die van het Evangelie van de God die zelf gelukkig is! En daarmee had de apostel zijn kind Timotheüs tevens een solide pakket beginselen aangereikt, aan de hand waarvan deze die zekere lieden van vers 2 tot de (theocratische) orde zou kunnen roepen.
 
12  Xαριν εχω τω ενδυναμωσαντι με Xριστω Iησου τω κυριω ημων, οτι πιστον με ηγησατο θεμενος εις διακονιαν,
Dank breng ik aan hem die mij kracht verleende, Messias Jezus, onze Heer, omdat hij mij getrouw achtte door mij een plaats toe te wijzen in een bediening,
 
13  το προτερον οντα βλασφημον και διωκτην και υβριστην∙ αλλα ηλεηθην, οτι αγνοων εποιησα εν απιστια,
terwijl ik vroeger toch een lasteraar en een vervolger en een onbeschaamd mens was. Doch mij werd barmhartigheid bewezen, aangezien ik, onwetend zijnde, handelde in ongeloof,
 
14  υπερεπλεονασεν δε η χαρις του κυριου ημων μετα πιστεως και αγαπης της εν Xριστω Iησου.
maar de liefderijke gunst van onze Heer was buitengewoon overvloedig met geloof en liefde in Messias Jezus.
 
Ook deze perikoop moeten we zien in het licht van hetgeen voorafging. De apostel had Timotheüs al heel wat ‘materiaal’ aangereikt om de joodse leraren in hun ijdel gepraat te beteugelen. Maar om hen ook werkelijk te bewegen tot het aanbrengen van ingrijpende veranderingen, zowel in hun eigen levenshouding als in hun zienswijze op de manier waarop de gezonde leer eigenlijk gebracht zou moeten worden - in een dynamische vorm van onderwijs - was meer nodig.
 
Met het oog daarop wijst Paulus op zijn eigen persoon. Als iemand wijzigingen in zijn leven en opvattingen had moeten aanbrengen dan was hij het wel geweest! Zeker, zijn Heer, Messias Jezus, had hem geroepen tot een speciale bediening in het Evangelie; de Heer had hem voor die toewijzing getrouw geacht, maar wat een slechte achtergrond had hij vóór die tijd!
Zijn opleiding in het Judaïsme had hem tot niets minder dan een religieuze fanaticus gemaakt die meende dat hij de nieuwe stroming die zich rond Jezus van Nazareth bezig was te ontwikkelen, met al de kracht die in hem was moest bestrijden. En die hartstocht had hem tot een lasteraar van God en tot een onbeschaamd mens gemaakt.
 
God wist echter - wat hij nu ook zelf onderscheidt - dat zijn ongeloof in Jezus als toch zijnde de ware, joodse Messias, was voortgesproten uit onwetendheid. En zoals de goddelijke voorbestemming berust op de juiste vóórkennis van God en zijn Zoon, kon de hemel hem niettemin tot het Christendom roepen en hem ook nog in een speciale bediening [diakonia] stellen (Rm 8:29). Want Jezus en zijn Vader God wisten eveneens bij voorbaat dat deze Saulus, als hij eenmaal voor een zaak ging, hij er 200% voor zou gaan.
 
Niettemin kon hij, als het aankwam op het aanbrengen van noodzakelijke veranderingen, op zichzelf wijzen als het voornaamste geval. Maar dat niet alleen, er kon ook een zeer postieve kant van zijn situatie vermeld worden: In de mate namelijk dat hij meer en meer de liefderijke gunst van zijn Heer ondervond, in die mate ook was dat bij hem vergezeld gegaan van een toenemend geloof en liefde in die Heer (vers 14)
 
15  πιστος ο λογος και πασης αποδοχης αξιος, οτι Xριστος Iησους ηλθεν εις τον κοσμον αμαρτωλους σωσαι∙ ων πρωτος ειμι εγω,
Het Woord is getrouw en alle aanneming waard dat Messias Jezus in de wereld kwam om zondaars te redden; van hen ben ik de eerste.
 
16  αλλα δια τουτο ηλεηθην, ινα εν εμοι πρωτω ενδειξηται Xριστος Iησους την απασαν μακροθυμιαν, προς υποτυπωσιν των μελλοντων πιστευειν επ αυτω εις ζωην αιωνιον.
Maar juist daarom werd mij barmhartigheid bewezen, opdat Messias Jezus in mij eerst de gehele lankmoedigheid zou demonstreren, tot een patroon der toekomstige gelovigen in hem tot eeuwig leven.
 
17  τω δε βασιλει των αιωνων, αφθαρτω, αορατω, μονω θεω, τιμη και δοξα εις τους αιωνας των αιωνων∙ αμην.
Aan de koning der eeuwen nu, onverderfelijk, onzichtbaar, enig God, zij eer en heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen. Amen!
 
De aanhef in vers 15 - Betrouwbaar is het Woord – is in de Pastoraalbrieven eveneens een terugkerende zinsnede. Hier, en ook straks in 4:9, wordt die uitspraak nog aangevuld met: en alle aanneming waard. In deze context gaat het om de grootse, christelijke waarheid dat Messias Jezus in de wereld kwam om zondaars te redden.
Tegenover de vreemde leringen die in de Efezische gemeenschap - maar ook op Kreta - werden verkondigd en die ook nog eens volkomen nutteloos waren voor de gelovigen, poneert Paulus hier een volkomen betrouwbare waarheid welke bovendien de grondslag is gaan vormen van het ware, christelijke geloof. Zoals Jezus ook zelf verkondigd had toen hij nog als mens te midden van het joodse volk verkeerde:
 
Want de Mensenzoon is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.
(Lk 19:10; zie: Zacheüs).
 
Maar nog steeds terugdenkend aan zijn slechte achtergrond in het Jodendom, voegt Paulus er aan toe dat hij van al die zondaars beslist de voornaamste is. Dat dus zelfs hij gered werd, bewijst te meer de betrouwbaarheid van het [in dit geval echte] ‘dogma’. De Heer moest in Saulus’ geval al zijn lankmoedigheid aanwenden, maar die barmhartige bejegening werd dan ook voor alle gelovigen die nog in de toekomst geroepen zouden worden, daarmee ook een voorbeeld waarop zij zouden kunnen steunen: Als iemand die zó lang en zó intens en hardnekkig het Christendom had bestreden, toch nog barmhartigheid ondervond, dan kon elke nieuwe christen toch het vertrouwen koesteren dat ook voor hem/haar redding en eeuwg leven was weggelegd!
 
Voor Paulus zelf is een en ander aanleiding tot een spontane doxologie. Hij moet God, de Koning der aeonen – de wereldperioden waaronder nu ook het christelijke tijdperk was gaan behoren – wel ronduit lof toezwaaien. Hem, de enige ware God, zowel onvergankelijk als (voor mensen) onzichtbaar – Hij is alleen door geloof waarneembaar – komt voor altijd alle eer en glorie toe.
Als de 24 Oudsten die zich na de Opname rondom Gods troon in de hemel zullen bevinden, zal het voltallige Gemeentelichaam precies van die zienswijze blijk geven:
 
En telkens wanneer de Levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging zullen geven aan hem die op de troon is gezeten, aan hem die leeft tot in alle eeuwigheid, zullen de vierentwintig Oudsten neervallen vóór hem die op de troon is gezeten, en hulde brengen aan hem die leeft tot in alle eeuwigheid, en hun kronen zullen zij vóór de troon werpen, zeggend: Waardig zijt gij, onze Heer en God, om de heerlijkheid, de eer en de kracht aan te nemen, want gij schiep alle dingen, en door uw wil waren ze en werden ze geschapen.
 
18  Tαυτην την παραγγελιαν παρατιθεμαι σοι, τεκνον, Tιμοθεε, κατα τας προαγουσας επι σε προφητειας, ινα στρατευη εν αυταις την καλην στρατειαν,
Deze oppdracht vertrouw ik jou toe, kind, Timotheüs, overeenkomstig de profetieën die jou voorafgingen, opdat je daarin de voortreffelijke strijd moogt strijden,
 
19  εχων πιστιν και αγαθην συνειδησιν, ην τινες απωσαμενοι περι την πιστιν εναυαγησαν∙
in het bezit van geloof en een goed geweten, dat sommigen van zich afwierpen en hun geloof leed schipbreuk. 
 
20  ων εστιν Υμεναιος και Aλεξανδρος, ους παρεδωκα τω Σατανα ινα παιδευθωσιν μη βλασφημειν.
Tot hen behoren Hymeneüs en Alexander die ik overgaf aan de Satan opdat zij door tucht zouden leren niet te lasteren.
 
Oók de laatste drie verzen van dit hoofdstuk worden door Paulus benut om zijn pupil aan te moedigen metterdaad stappen tegen de verkeerde leraren te ondernemen, tw.:
 
Vers 18: Er is geen reden voor Timotheüs om beschroomd te zijn, gezien de voorspellingen die al jaren geleden met betrekking tot zijn loopbaan in het Christendom waren gedaan. Al op zeer jeugdige leeftijd onderwezen - van kindsbeen af, in heilige Geschriften die in staat zijn je wijs te maken tot redding door het geloof in Messias Jezus - door zijn moeder Eunice en wellicht ook door zijn grootmoeder Loïs - had Timotheüs een vroege start binnen de christelijke Gemeente (2Tm 1:5; 3:15).
 
Toen Paulus, tijdens diens tweede zendingsreis rond 49-50 AD in Lystra en Ikonium arriveerde, werd er door de broeders aldaar een goed getuigenis van hem gegeven. En het kan omstreeks die tijd geweest zijn dat er door de werkzaamheid van Gods geest bepaalde profetieën of voorzeggingen over Timotheüs werden geuit, welke kennelijk voor Paulus zulke aanwijzingen bevatten dat hij de wens tot uitdrukking bracht dat Timotheüs zou worden opgenomen in de kring van zijn metgezellen.
Bovendien legden Paulus, tezamen met de presbyters van de gemeente, Timotheüs de handen op waardoor hij afgezonderd werd voor zijn loopbaan in dienst van zijn Heer (Hn 16:1-3; 1Tm 4:14 en 2Ti 1:6).
 
Vers 19: Gezien zijn geloof en goede geweten kan hij, zonder enige belemmering, de voortreffelijke strijd voeren; in dit geval resoluut optreden tegen die joodse leraren met hun fabels en andere dubieuze leringen.
  
Vers 20: Timotheüs  heeft een voorbeeld in Paulus zelf als iemand die geen schroom kent om, wanneer de omstandigheden dat eisen, met kracht tot handelen over te gaan. De apostel verwijst naar het specifieke geval van twee broeders, Hymeneüs en Alexander,  die hij wegens excessief onchristelijk gedrag had moeten excommuniceren.
Vergelijk voor de uitdrukking overgeven aan de Satan het geval van de Korinthische christen die een verhouding was aangegaan met zijn stiefmoeder (1Ko 5:1-6).
 
Dat Hymeneüs en Alexander door tucht geleerd moest worden om niet te lasteren duidt er waarschijnlijk op dat zij op een gevaarlijke wijze tegen de werking van de heilige geest ingingen, maar ook dat er herstel en terugkeer in de christelijke Gemeente mogelijk was als zij de tuchtmaatregel ter harte namen.
Vergelijk: Mt 12:22-24, 28, 31-32 .
 
Te oordelen naar 2Tm 2:16-18, waar de apostel Hymeneüs opnieuw vermeldt, was deze blijkbaar niet op zijn verkeerde schreden teruggekeerd:
 
Mijd de profane holle klanken, want zij zullen nog meer goddeloosheid bevorderen, en hun woord zal als gangreen voortwoekeren. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus, die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat de opstanding reeds heeft plaatsgevonden en zij werpen het geloof van sommigen omver.    
 
En wanneer Alexander de zelfde is als die van 2Tm 4:14-15, waarvoor de apostel Timotheüs ernstig moest waarschuwen: Alexander de smid heeft mij veel kwaad berokkend; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken. Voor wie ook jij op je hoede moet zijn, want hij heeft onze woorden ten zeerste weerstaan, dan was ook deze ‘broeder’ kennelijk van kwaad tot erger voortgegaan. 

Geen opmerkingen: