Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

maandag 13 januari 2014

Kolossenzen - Hoofdstuk 4

Kolossenzen - Hoofdstuk 4 

Οι κυριοιτο δικαιον και την ισοτητα τοις δουλοις παρεχεσθεειδοτες οτι και υμεις εχετε κυριον εν ουρανω.

1 De heren, verschaft de slaven wat rechtvaardig en billijk is, wetend dat ook jullie een Heer in de hemel hebben.
Zowel vrije mensen als slaven onder christenen hebben een zelfde Heer die hemelhoog boven hen verheven is. En voor hem tellen de verhoudingen die hier beneden zo gewichtig lijken, in het geheel niet. Hij kijkt naar de innerlijke waarde van de menselijke daden en wordt niet geïmponeerd door iemands rijkdommen of sociale positie. 
Als christenen leven we in het bewustzijn van een nabije Heer die van alle zaken notitie neemt. Bij de Opname zal dat duidelijk worden, want dan zal een ieder - openbaar gemaakt zijnde voor de rechterstoel van de Heer - voor zichzelf de dingen wegdragen die hij door het lichaam beoefende, hetzij goed hetzij verachtelijk (2Ko 5:10).

Naar wij verwachten zal dit een terugblik inhouden op onze vroegere daden die wij op aarde verrichtten toen wij nog in het vlees verkeerden. Waarschijnlijk zullen die daden dan aan ons geestesoog voorbij trekken en zal vastgesteld worden of wij ze als voor de Heer deden, of voor eigen heerlijkheid en/of bevrediging. Dat zal niet alleen een leerzame beschouwing, maar -naar het ons toeschijnt- ook van invloed zijn op de gelegenheden die ons voor verdere dienst binnen de nieuwe wereldperiode van Nieuwe Hemelen en een Nieuwe Aarde geboden zullen worden.
Τη προσευχη προσκαρτερειτεγρηγορουντες εν αυτη εν ευχαριστιαπροσευχομενοι αμα και περι ημωνινα ο θεοςανοιξη ημιν θυραν του λογουλαλησαι το μυστηριον του Χριστουδι ο και δεδεμαιινα φανερωσω αυτο ως δει μελαλησαι.
2-4 Houdt krachtig vast aan het gebed, daarin wakend onder dankzegging; tegelijkertijd ook voor ons biddend, dat God voor ons een deur van het Woord mag openen, om te spreken het geheimenis van de Messias, om welke ik ook geketend ben; opdat ik het openbaar mag maken zoals ik behoor te spreken.
Alle lezers zijn weer in beeld. Voor ons allen geldt dat we intensief moeten steunen op de kracht van het gebed, onze communicatielijn met de hemelsferen.
De gebruikte werkwoorden in het Grieks zijn kennelijk met zorg gekozen.
Eerst is daar 
προσκαρτερεωstandvastig voortgaan; met kracht doorzetten, volhouden.
Vervolgens 
γρηγορεωwakker, waakzaam zijn; hier in een religieuze betekenis: alert blijven voor geestelijke gevaren.
Vergelijk dit met het tafereel in Gethsémané, waar de leerlingen in gebreke bleven waakzaam te zijn (Mr 14:37-38).

Het is gepast dat onze gebeden gepaard gaan met een dankbare stemming jegens God die ons verhoort naar zijn wijsheid en overeenkomstig hetgeen hij met ons voor heeft.
Wij leven in een wereld die vol is van geestelijk gevaarlijke invloeden, en wijzelf hebben geen zicht op de verschillende manieren waarop de Vader ons daar veilig doorheen leidt, zodat wij onze vreugde in Hem bewaren en vrede ons deel is.

Wij geven uiting aan ons geloof als we God niet alleen om leiding vragen, maar hem ook danken voor de sturing in ons leven die daarvan het gevolg is, ook al kunnen wij niet precies weten hoe een en ander tot stand kwam.
De herhaalde nadruk op dankbaarheid maakt deze Brief tot 'een document van dankbaarheid'. Vergelijk 1:3, 122:73:17; 4:2.
Dat God voor ons een deur van het Woord mag openen…
De apostel verkeert in gevangenschap, waarschijnlijk een vorm van huisarrest, maar toch gebonden, wat blijkbaar duidt op zijn ketenen. Maar hij verzoekt zijn lezers niet God in gebed te vragen de deur van zijn gevangenis te openen, maar 
een deur van het Woord, wat kennelijk duidt op een grotere toegang tot het Woord, zodat hij het mysterie of geheimenis - de Messias in jullie, Heidenen, de hoop der heerlijkheid - met nog meer inzicht naar buiten kan brengen, ver buiten de gevangenismuren.
Paulus wordt gedreven door het verlangen om het christelijke mysterie in al zijn facetten openbaar te maken en dat in een woordkeuze die het beste overkomt: 
zoals ik behoor te spreken

Εν σοφια περιπατειτε προς τους εξωτον καιρον εξαγοραζομενοι. ο λογος υμων παντοτε εν χαριτιαλατιηρτυμενοςειδεναι πως δει υμας ενι εκαστω αποκρινεσθαι.
5-6
 Wandelt in wijsheid jegens hen die buiten [zijn], de geschikte gelegenheid benuttend. Jullie woord [zij] altijd in liefderijke gunst, met zout gekruid: weten hoe jullie een ieder behoren te antwoorden.
De omgang met de Heidenen in de buitenwereld dient door wijsheid gekenmerkt te worden, zodat het Evangelie niet geschaad wordt maar veeleer bevorderd. Wij doen dat wanneer we ons leven leiden in het licht van de goddelijke openbaring en de verdiepte kennis van zijn wil (1:9).
In dat opzicht is de heilige levenswandel van een christen op zich al een aanbeveling, respectievelijk een apologie in het geval van onterechte beschuldigingen.
Niet alleen de apostel spreekt over het geheimenis van de Messias; alle leden van het Lichaam kunnen en mogen zich daartoe geroepen weten.
Mensen in onze omgeving stellen wellicht indringende vragen en het is goed dat wij weten hoe dan op gepaste wijze geantwoord moet worden.
In liefderijke gunst, met zout gekruid…In aanmerking genomen wat de apostel over zijn eigen prediking schreef in 1Ko 2:1-5, kan een prettige, gevatte wijze van spreken hier niet bedoeld zijn.Eν χαριτι verwijst naar de goddelijke genade, zijn liefderijke gunst; daardoor dient ons spreken beïnvloed te worden. Ons woord (rede) mag onder de invloed der genade pittig zijn - gekruid met zout - maar wel in religieuze zin.
In 3:17 had de apostel die aanpak al aangegeven met de woorden: 
Al wat jullie doen, in woord of in werk, alles in naam van de Heer Jezus.
3. Besluit en groet (4:7-18)
Τα κατ εμε παντα γνωρισει υμιν Τυχικος ο αγαπητος αδελφος και πιστος διακονος και συνδουλος εν κυριωονεπεμψα προς υμας εις αυτο τουτοινα γνωτε τα περι ημων και παρακαλεση τας καρδιας υμωνσυν Ονησιμω τωπιστω και αγαπητω αδελφωος εστιν εξ υμων· παντα υμιν γνωρισουσιν τα ωδε.

7-9
 Alles wat mij betreft zal Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en medeslaaf in de Heer, jullie bekend maken. Juist daarom zond ik hem naar jullie, opdat jullie onze situatie zouden kennen en hij jullie harten moge vertroosten; samen met Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, die uit jullie midden is. Zij zullen jullie bekend maken met alle omstandigheden hier.
Paulus acht het niet nodig om in de Brief zelf over zijn omstandigheden te Rome uit te weiden. De beide broeders, Tychikus en Onesimus, kennen zijn situatie van nabij en kunnen de gemeente voldoende informeren. Zie ons commentaar op 1:1-2.
Over de weggelopen slaaf Onesimus, die in Rome met de apostel in contact kwam en met diens hulp een christen werd, hebben we al enkele dingen geschreven in het commentaar op 3:22-25, waar Paulus de beginselen behandelt die de verhouding tussen een slaaf en een meester regelen.

In deze Brief schrijft de apostel maar heel weinig over Onesimus, omdat
hij daarover terecht uitgebreid schrijft in de afzonderlijke Brief aan Filémon, en
b hij niet de indruk wil wekken alsof hij door de gemeente druk zou willen uitoefenen op de beslissing van Filémon.

Dat Paulus hem aanduidt als 
de getrouwe en geliefde broeder, die uit jullie midden is, vormt indirect reeds een aanbeveling om deze weggelopen slaaf en stadgenoot in de gemeente te verwelkomen en op te nemen.
De apostel spreekt de verwachting uit dat zijn lezers door de mondelinge verslagen van beide broeders geestelijke aanmoediging en vertroosting zullen ontvangen.
Zie ook Ef 6:21-22
Ασπαζεται υμας Αρισταρχος ο συναιχμαλωτος μουκαι Μαρκος ο ανεψιος Βαρναβα (περι ου ελαβετε εντολαςεανελθη προς υμας δεξασθε αυτον), και Ιησους ο λεγομενος Ιουστοςοι οντες εκ περιτομης ουτοι μονοι συνεργοι ειςτην βασιλειαν του θεουοιτινες εγενηθησαν μοι παρηγορια.

10-11
 Jullie groet Aristarchus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas (omtrent wie jullie instructies ontvingen; ontvangt hem gastvrij wanneer hij bij jullie komt), en Jezus die Justus wordt genoemd; dezen zijn de enige medearbeiders voor het koninkrijk Gods uit de besnijdenis, die mij tot troost werden.
Zoals Epafras in Fm 23, wordt ook Aristarchus hier Paulus’ medegevangene genoemd, waarschijnlijk in de betekenis dat zij het lot van de apostel vrijwillig deelden; dus niet dat deze broeders ook werkelijk veroordeeld waren.
De herkomst van Aristarchus, blijkbaar een jood, lag in Thessaloniki. Hij was bij Paulus in Efeze tijdens het zilversmidoproer en vergezelde de apostel op zijn reis naar Jeruzalem en later naar Rome (Hn 19:2920:427:2).

Johannes Markus, de neef van Barnabas (oomzegger), is de schrijver van het tweede Evangelie. Klaarblijkelijk stelde hij al vroeg geloof in Jezus als de Messias. In het huis van zijn moeder, Maria, te Jeruzalem, kwam de vroege gemeente bijeen. Hijzelf is waarschijnlijk de schaars geklede jongeman die hij beschrijft in Mr 14:51-52, die Jezus na zijn vertrek uit de bovenzaal heimelijk was gevolgd.

Hij vergezelde Paulus en Barnabas op de eerste zendingsreis. De onenigheid die naar aanleiding daarvan tussen Paulus en Barnabas ontstond, was intussen sedert lang bijgelegd en ook de verstandhouding tussen Markus en de apostel was weer geheel in orde.
Uit de tussenzin kan geconcludeerd worden dat Markus inmiddels ook op weg is naar Klein-Azië; de Kolossenzen hebben reeds een brief over zijn komst ontvangen.
Op het moment dat Paulus zijn brief aan Filémon schreef, was Markus in ieder geval nog bij Paulus in Rome (Fm 24).
Vergelijk Hn 12:12, 2513:5, 1315:36-41.

Over Jezus die ook bekend stond als Justus weten wij niets. Hij, Aristarchus en Markus zijn de enige Jodenchristenen die te Rome met Paulus samenwerken in verband met het koninkrijk van God.
Daaruit kunnen we dus afleiden dat Epafras, Lukas en Demas die hierna nog genoemd worden, Heidenchristenen waren.
ασπαζεται υμας Επαφρας ο εξ υμωνδουλος Χριστου [Ιησου], παντοτε αγωνιζομενος υπερ υμων εν ταιςπροσευχαιςινα σταθητε τελειοι και πεπληροφορημενοι εν παντι θεληματι του θεουμαρτυρω γαρ αυτω οτι εχειπολυν πονον υπερ υμων και των εν Λαοδικεια και των εν Ιεραπολει.

12-13
 Jullie groet Epafras, die uit jullie midden is, een slaaf van Messias Jezus, die zich altijd voor jullie inspant in de gebeden, opdat jullie mogen vaststaan in heel Gods wil, volmaakt en volledig overtuigd. Want ik getuig van hem dat hij zich veel moeite getroost voor jullie en voor hen in Laodicea en voor hen in Hiërapolis.
Epafras, evenals Onesimus een stadgenoot van de Kolossenzen, kwamen we al in het begin van de Brief tegen. In 1:7 noemde Paulus hem 
onze geliefde medeslaaf, die een getrouw dienaar van [de] Messias is ten behoeve van jullie.Als zodanig had hij de Kolossenzen door de prediking van het Evangelie bekend gemaakt met de liefderijke gunst van God en blijkbaar een belangrijke rol gespeeld bij de stichting van de gemeentes in de Lycusvallei. Hij was naar Rome gekomen met een aanmoedigend bericht over de liefde en standvastigheid van de Kolossenzen (Ks 1:4-8).
Maar ook had hij melding moeten maken van het feit dat zij onder zware geestelijke druk stonden vanwege de toenemende invloed van dubieuze leraren die door hun vreemde ideeën verdeeldheid en strijd veroorzaakten.

Paulus maakt nu voor het laatst in deze Brief van de gelegenheid gebruik om de verkeerde bedoelingen van de dwaalleraars te ontmaskeren. Zij hadden kennelijk Epafras’ betrouwbaarheid wat betreft de zuiverheid van zijn leer ernstig aangetast, ja, ondermijnd. Paulus daarentegen beveelt hem krachtig bij de gelovigen en de getrouwen aan; allereerst met de erenaam 
een slaaf van Messias Jezus, en vervolgens door zich lovend uit te laten over de zorg voor hen waarvan Epafras ook in het verre Rome nog steeds blijk geeft. Nu hij niet in persoon bij hen kan zijn, worstelt hij voor hen in zijn gebeden; als het ware als een kampvechter die strijdt voor hun belangen. Zijn doel? Opdat jullie mogen vaststaan in heel Gods wil, volmaakt en volledig overtuigd.
ασπαζεται υμας Λουκας ο ιατρος ο αγαπητος και ΔημαςΑσπασασθε τους εν Λαοδικεια αδελφους και Νυμφαν καιτην κατ οικον αυτης εκκλησιαν.

14-15
 Jullie groet Lukas, de geliefde geneesheer, en Demas. Groet de broeders in Laodicea, en Nymfa, en de gemeente die in haar huis [samenkomt].

Sinds Lukas zich op de tweede zendingsreis te Troas bij Paulus had aangesloten, bleef hij een trouw metgezel en helper van de apostel. Hij was niet alleen de geliefde geneesheer maar ook diens medewerker, evenals Demas, zoals blijkt uit Fm 24: 
Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medewerkers.  
Vergelijk ook Hn 16:10.

Demas wordt, in tegenstelling tot Epafras en Lukas, zonder enige toevoeging vermeld, wat waarschijnlijk verklaard moet worden uit het feit dat hijzelf de Brief voor Paulus schreef. Pas in het laatste vers heeft de apostel zelf de pen ter hand genomen om een eigenhandige groet te schrijven.
Dat Demas uit liefde voor de wereld zich uit Paulus’ gezelschap terugtrok, deed zich pas enkele jaren later voor (2Tm 4:10).

Dat Paulus groeten richtte tot de broeders in Laodicea, en afzonderlijk tot Nymfa en de gemeente bij haar aan huis, lijkt erop te wijzen dat de gelovigen in die stad op minstens twee verschillende plaatsen samenkwamen. Het is één van de aanwijzingen die wij in het NT hebben dat gelovigen in kleine groepjes als huisgemeenten samenkwamen. Te Kolosse vergaderde men blijkbaar in het huis van Filémon (Fm 2).
και οταν αναγνωσθη παρ υμιν η επιστοληποιησατε ινα και εν τη Λαοδικεων εκκλησια αναγνωσθηκαι την εκΛαοδικειας ινα και υμεις αναγνωτεκαι ειπατε Αρχιππωβλεπε την διακονιαν ην παρελαβες εν κυριωινα αυτηνπληροιςΟ ασπασμος τη εμη χειρι Παυλουμνημονευετε μου των δεσμων. η χαρις μεθ υμων
16-18
 En wanneer de Brief bij jullie is gelezen, zorgt er dan voor dat hij ook wordt gelezen in de gemeente van de Laodicenzen en dat ook jullie die uit Laodicea lezen. En zegt tegen Archippus: Let erop, dat je de bediening die je in de Heer op je nam, ook vervult. De eigenhandige groet van mij, Paulus. Blijft aan mijn ketenen denken. De liefderijke gunst zij met jullie.
Niet eerder dan in de Derde eeuw wordt er melding gemaakt van kerkgebouwen.
Tot die tijd was het dus gebruikelijk om samen te komen in huisgemeenten, alwaar men met elkaar de Schriften las en besprak. En dat is ook precies datgene waartoe de apostel hier aanmoedigt. Zijn Brieven waren tegen die tijd al wijd verspreid, en zoals hij in zijn eerste brief, waarschijnlijk Eén Thessalonicenzen, te kennen geeft vertegenwoordigde wat hij schreef niet zijn eigen ideeën, maar was in werkelijkheid 
het Woord van God (1Th 2:13).

Daarom hecht Paulus er veel waarde aan dat deze Brief en die aan de Laodicenzen tussen de broeders ter lezing en bespreking worden uitgewisseld. En als het klopt dat de Brief aan de Laodicenzen in werkelijkheid de Efezebrief was, kunnen we ons gemakkelijk voorstellen dat die Brief, met zijn rijke inhoud, te Kolosse nog een extra aanklacht heeft gevormd, naast hun eigen Brief, aan het adres van de dwaalleraren.

Archippus wordt ook genoemd in de Filémonbrief als behorend tot het huis van Filémon. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat hij diens zoon was.
De apostel herinnert er hem aan dat hij 
in de Heer een bediening op zich had genomen.
Aangezien Paulus niet dieper ingaat op de aard van die dienst, moeten we een en ander blijkbaar afleiden uit deze Brief. En dan ligt de veronderstelling voor de hand dat Epafras bij zijn vertrek naar Rome de zorg voor de gemeente tijdelijk had toevertrouwd aan Archippus. En aangezien Paulus had vernomen dat Archippus daarin had toegestemd, moedigt hij hem nu aan om daaraan ook invulling te geven, niet als een blijk van wantrouwen maar veeleer om de (wellicht nog) jonge en onervaren Archippus een hart onder de riem te steken.

Wanneer we ons nogmaals te binnen brengen met welke tegenwerkende elementen hij in de gemeente werd geconfronteerd, dan kon Archippus wel wat aanmoediging gebruiken om onder zulke moeilijke omstandigheden Epafras’ taak waar te nemen.

Met een enkel laatst woord vermaant de apostel zijn lezers ook aan hem te blijven denken, met name aan zijn gevangenisboeien: een extra aansporing om gehoor te geven aan zijn verzoek voor hem en zijn metgezellen te bidden (4:3-4): 
dat God voor ons een deur van het Woord mag openen, om te spreken het geheimenis van de Messias, om welke ik ook geketend ben; opdat ik het openbaar mag maken zoals ik behoor te spreken.

-.-.-.-

Geen opmerkingen: