Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

vrijdag 10 januari 2014

Kolossenzen - Hoofdstuk 3

Kolossenzen 3
C. Vermanend deel (3:1 – 4:6)

1. Het nieuwe leven (3:1-17)
Eι ουν συνηγερθητε τω Χριστω, τα ανω ζητειτε, ου ο Χριστος εστιν εν δεξια του θεου καθημενος· τα ανω φρονειτε, μη τα επι της γης· απεθανετε γαρ, και η ζωη υμων κεκρυπται συν τω Χριστω εν τω θεω. οταν ο Χριστος φανερωθη, η ζωη υμων, τοτε και υμεις συν αυτω φανερωθησεσθε εν δοξη.

1-4
 Indien jullie tezamen met de Messias werden opgewekt, zoekt dan de dingen boven, waar de Messias is, gezeten aan Gods rechterhand. Bedenkt de dingen boven, niet de dingen op de aarde. Want jullie stierven en jullie leven is tezamen met de Messias verborgen in God. Wanneer de Messias, jullie leven, openbaar wordt gemaakt, dan zullen ook jullie tezamen met hem openbaar gemaakt worden in heerlijkheid.

In Ks 2:6 schreef de apostel: Zoals jullie dan Messias Jezus, de Heer, ontvingen, wandelt in hem.
Die aanmoediging gaat hij nu verder ontwikkelen in haar praktische consequenties.
Alvorens hij echter daartoe overgaat, geeft hij ons eerst een idee vanuit welke optiek de christelijke levenswandel benaderd moet worden. Aangezien we door de 'opstanding' in verbondenheid met ons Hoofd in de sfeer van het bovenaardse zijn geraakt, doen wij er goed aan onze genegenheid daarop te richten en vooral de dingen boven te zoeken waar de Messias in heerlijkheid verblijft aan Gods rechterhand. 

Vergelijk: Ks 2:12Ef 2:6Ps 110:1Jh 17:5 [En nu, verheerlijk gij mij, Vader, naast uzelf met de heerlijkheid welke ik naast U had eer de wereld was].

Hoewel wij in Messias Jezus een grote geestelijke vrijheid genieten en vrijelijk gebruik kunnen maken van de dingen die onze aardse situatie nu nog biedt, zijn onze zinnen niet in de eerste plaats daarop gericht. Bij onze wedergeboorte stierven wij immers in principiële zin ten aanzien van onze aardse, Adamitische situatie. Het leven der genade dat wij toen ontvingen behoort niet tot de aardse sfeer, maar is een leven dat zich beweegt in de sfeer van God. 


Jullie leven is tezamen met de Messias verborgen in God…Aangezien God bezig is met het verwezenlijken van zijn voornemen dat hij reeds voor de grondlegging der wereld in de Messias opvatte, ons daarbij in zijn liefde tot zoonschap voor zichzelf bestemmend, vindt ons leven - nu de bestemde tijd daarvoor aanbrak - in hem zijn inhoud, motieven en einddoel (Ef 1:3-5).
En zoals God zelf verborgen is voor de ogen van de mensenwereld in het algemeen, is ook ons leven verborgen voor het oog der mensen die ons omringen. Het ontgaat hun volkomen wie en wat we in onze verbondenheid met ons Hoofd, de Messias, zijn. De wereld die Jezus thans niet ziet houdt bijgevolg ook geen rekening met het bovennatuurlijke leven van christenen, zijn lichaamsleden. Hoewel wij ons dagelijks te midden van hen bevinden, hebben zij geen notie wie wij in geestelijk opzicht zijn.
Vergelijk 1Ko 2:14-15 (vdPalm):

Doch de natuurlijke mens bevat niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want ze zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk beoordeeld moeten worden. Maar de geestelijke mens kan alles beoordelen, hij zelf kan door niemand  beoordeeld worden.
Pas bij de komst van de Messias met kracht en veel heerlijkheid, wanneer hij aan de wereld openbaar wordt gemaakt in al zijn glorie, zullen de mensen op aarde voor het eerst echt kennis maken met zijn Gemeentelichaam en gaan inzien welke rol de leden daarvan zullen vervullen om de zuchtende, nog altijd in barensnood verkerende schepping, behulpzaam te zijn tot de glorierijke vrijheid te geraken die kenmerkend is voor kinderen Gods: Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden. Immers, het reikhalzend verlangen van de schepping wacht de openbaarmaking van de zonen Gods af. Want de schepping werd aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderwierp, op [basis van] hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf tot de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. Want wij weten dat heel de schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood verkeert, tot nu toe. Niet alleen [zij] echter, maar ook wijzelf, die de eerstelingsgave van de geest hebben, ja, ook wijzelf zuchten in onszelf, [het volledige] zoonschap afwachtend, de loskoop van ons lichaam. Want in de hoop werden wij gered, maar hoop die gezien wordt is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, hoopt hij [dan nog]?
(Rm 8:18-24)

Er is dus heel veel betekenis gelegen in de frase 
de Messias, jullie leven.
[Een andere lezing heeft met vrijwel evenveel gezag: ons
 leven]
Voor ons christenen, is hij in geestelijk opzicht geworden wat het natuurlijke leven voor ieder mens is. Met hem bezitten wij alles; zonder hem niets. 

Νεκρωσατε ουν τα μελη τα επι της γηςπορνειανακαθαρσιανπαθοςεπιθυμιαν κακηνκαι την πλεονεξιαν ητιςεστιν ειδωλολατριαδι α ερχεται η οργη του θεου [επι τους υιους της απειθειας εν οις και υμεις περιεπατησατεποτε οτε εζητε εν τουτοις

5-7
 Doodt dan de leden die [nog] op de aarde [zijn]: hoererij, onreinheid, hartstocht, lage begeerte en de hebzucht, welke afgodendienst is; door welke dingen de toorn van God komt [op de zonen der ongehoorzaamheid]; in welke ook jullie eens wandelden, toen jullie daarin plachten te leven. 

In vers 3 had de apostel al vastgesteld dat christenen bij de nieuwe geboorte in principe stierven ten aanzien van hun vroegere, Adamitische situatie.
Dat was inderdaad in principiële, d.i voorlopige zin. We zijn - vrij eigenaardig uitgedrukt - niet 'volmaakt' dood!
De leden op de aarde - dat wil zeggen datgene in ons wat op het aardse gericht is en niet op de dingen boven (v 2) - moeten daarom alsnog 'gedood' worden, telkens wanneer zij zich weer als instrumenten der oude, zondige natuur trachten te manifesteren.
De aorist van het imperatief doodt duidt op één enkele, rigoureuze daad. 


Door welke dingen de toorn van God komt…
De tekst is parallel aan Ef 5:6, waaraan blijkbaar ook het (hier) twijfelachtige zinsdeel over de zonen der ongehoorzaamheid ontleend is. P46 en de codex Vaticanus hebben de woorden niet en we zijn het eens met hen die menen dat het waarschijnlijker is dat de woorden zijn toegevoegd dan dat ze weggelaten zouden zijn.

Of de misleiders te Kolosse de expliciet genoemde ondeugden wilden vergoelijken, wellicht omdat zij er niet in slaagden ze door hun ongezonde ascese te bedwingen, weten we niet. Mocht dat wel het geval zijn geweest, dan moesten de gelovigen dat doorzien als klinklaar bedrog. Gods toorn komt juist over zulke notoire zondaars, in het bijzonder over hebzuchtigen, aangezien dezen voor God synoniem zijn met hen die afgodendienst bedrijven.

Overigens erkent de apostel dat ook de gelovigen zich vroeger in dit opzicht als alle andere Heidenen gedroegen. Men placht daarin eenvoudig te leven. Door het gebruik van het imperfectum typeert Paulus hun levenswijze als de oorzaak van hun vroegere wandel: het resultaat van een en ander. Zoals zij nu 
in hem [de Messias] wandelen, leefden zij voorheen zonder scrupules in gewoonten van dubieuze, veelal immorele aard. 

νυνι δε αποθεσθε και υμεις τα πανταοργηνθυμονκακιανβλασφημιαναισχρολογιαν εκ του στοματος υμων· μηψευδεσθε εις αλληλουςαπεκδυσαμενοι τον παλαιον ανθρωπον συν ταις πραξεσιν αυτουκαι ενδυσαμενοι τοννεον τον ανακαινουμενον εις επιγνωσιν κατ εικονα του κτισαντος αυτονοπου ουκ ενι Eλλην και Iουδαιος,περιτομη και ακροβυστιαβαρβαροςΣκυθηςδουλοςελευθεροςαλλα [ταπαντα και εν πασιν Χριστος.  

8-11 Maar nu, legt ook jullie alle dingen af: toorn, woede, slechtheid, laster, schandelijke taal uit jullie mond. Liegt niet meer tegen elkaar, daar jullie de oude mens met zijn praktijken geheel aflegden, en je met de nieuwe bekleedden, welke vernieuwd wordt tot verdiepte kennis, naar het beeld van degene die hem schiep. Waar geen Griek en Jood is, besnijdenis en onbesnedenheid, Barbaar, Scyth, slaaf, vrije, maar alles en in allen [de] Messias.

Ook hier schrijft de apostel vanuit het standpunt dat christenen de nieuwe geboorte reeds hebben ervaren, aangezien zij tezamen met de Messias stierven en met hem werden opgewekt, en daarom de oude mens reeds geheel aflegden en de nieuwe mens aandeden. Maar (wederom) in principiële zin; zoals zij niet volkomen dood zijn naar de Adamitische natuur, zijn zij ook geen volkomen nieuwe mensen; de vleselijke praktijken van de oude mens liggen, om zo te zeggen, nog vlak om de hoek.
Niettemin moeten zij logischerwijs nu, in het heden, niet langer 'wandelen' volgens die vroegere praktijken binnen het Heidendom. Wat voorheen voor hen de normale gang van zaken was, moet thans als abnormaal beschouwd worden.

Opnieuw, zoals in vers 5 -doodt- gebruikt Paulus ook hier de imperatief in de aorist: 
legt af, d.i. resoluut te werk gaan, zonder enig voorbehoud, want de genoemde ondeugden zijn naar hun aard vergrijpen tegen de medemens: toorn, woede, slechtheid, laster, schandelijke taal.Daarentegen is de imperatief van liegen in het praesens, waarmee door de apostel gezegd wil worden dat zij niet moeten doorgaan met liegen: stop met die gewoonte.
En hoewel ook dit in algemene zin geldt, binnen elke menselijke relatie, betrekt Paulus deze vermaning hier specifiek op de vertrouwensband die tussen christenen dient te bestaan. Want zij zijn immers medeleden in het Gemeentelichaam en als broeders met elkaar verbonden; onder hen dient een volstrekt onderling vertrouwen te heersen.

De apostel verschaft hun de juiste motivatie: Zij moeten zich als nieuwe mensen zien die zich bovendien binnen een proces van voortdurende vernieuwing bevinden; het participium van vernieuwen is eveneens in het praesens, want de vernieuwing betreft in het bijzonder het geraken tot meer inzicht, of letterlijk 
verdiepte kennis [επιγνωσις], en dat vergt inderdaad tijd en meer ervaring opdoen in Gods wegen.

Als het ideale model geldt daarbij God zelf die niet alleen de mens oorspronkelijk schiep naar zijn beeld maar dit ook doet [deed] bij de herschepping.
Maar omdat Jezus, de Messias, door zijn Vader als diens volmaakte evenbeeld is voortgebracht, kan de nieuwe mens die Zoon van God als toonbeeld beschouwen en zich aan hem spiegelen.
Daarvoor is nog een extra reden, namelijk de omstandigheid die de apostel aldus samenvat: 
waar geen Griek en Jood is, besnijdenis en onbesnedenheid, Barbaar, Scyth, slaaf, vrije, maar alles en in allen [de] Messias.Om te verstaan wat Paulus precies te kennen wil geven, hebben wij veel aan een soortgelijke passage volgens Gl 3:26-29 

Want jullie allen zijn zonen Gods door het geloof in Messias Jezus. Want zovelen als er in [de] Messias werden gedoopt, hebben zich met [de] Messias bekleed. Er is geen Jood noch Griek; er is geen slaaf noch vrije; er is geen manlijk en vrouwelijk; want jullie allen zijn één in Messias Jezus. Indien jullie echter van [de] Messias [zijn], zijn jullie zaad van Abraham; naar een belofte erfgenamen.

Onder hen die als resultaat van de nieuwe schepping in verbondenheid met Messias Jezus zijn gaan leven, zij die 
zichmet hem bekleed hebben, bestaat geen enkel onderscheid meer: Joden, Grieken, leden van ongecultiveerde volken; slaven, vrijen, mannen, vrouwen. Alle onderlinge verschillen in ras, in geslacht, in sociale verhoudingen, in nationale achtergronden en cultuur, vallen weg, tellen niet meer bij de nieuwe mens. 
Al die tegenstellingen die van zoveel gewicht worden geacht in de staat van de oude mens, worden binnen het Christendom opgeheven. De enige maatstaf is nog de Messias; alles wat werkelijk telt en van waarde is wordt slechts in hem gevonden: wij in hem en hij in ons

Eνδυσασθε ουν ως εκλεκτοι του θεου, αγιοι και ηγαπημενοισπλαγχνα οικτιρμουχρηστοτηταταπεινοφροσυνην,πραυτηταμακροθυμιανανεχομενοι αλληλων και χαριζομενοι εαυτοις εαν τις προς τινα εχη μομφην· καθως και οκυριος εχαρισατο υμιν ουτως και υμεις· επι πασιν δε τουτοις την αγαπηνο εστιν συνδεσμος της τελειοτητος.  

12-14
 Bekleedt je dan als uitverkorenen Gods, heiligen en geliefden, met tedere genegenheden van mededogen, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; elkaar verdragend en elkaar gaarne vergevend, wanneer de een tegen de ander een klacht heeft; gelijk ook de Heer jullie gaarne vergaf, zó ook jullie. Boven al deze dingen echter de liefde, welke een verenigende band is der volmaaktheid. 

Daar christenen bij de wedergeboorte in principe de nieuwe mens hebben aangedaan, moeten zij zich logischerwijs ook bekleden met de christelijke deugden die kenmerkend zijn voor iemand die naar Gods beeld is herschapen (vers 10).
Bovendien zijn zij Gods uitverkorenen, heiligen en geliefden; in die speciale zin afgezonderd van alle andere mensen. Zoals de oude mens wordt onderscheiden door de vijf genoemde ondeugden in vers 8, moet de nieuwe mens in zijn relaties tot andere mensen herkenbaar zijn in de vijf deugden van vers 12, wat inhoudt het betonen van:

- hartelijke, innerlijke compassie; letterlijk naar het Grieks: ingewanden van mededogen;
- goedheid of vriendelijkheid;
- nederigheid of ware ootmoedigheid des geestes, in tegenstelling tot de schijnnederigheid van 2:18 en 23, welke op verkapte hoogmoed duidde;
- zachtmoedigheid;
- lankmoedigheid;

Ook nu - zoals in vers 9 het niet langer liegen tegen elkaar - beklemtoont de apostel speciale kenmerken van de nieuwe mens die deze moet toepassen naar zijn medeleden toe, t.w.
(1) Grote verdraagzaamheid, aangezien allen nog onderhevig zijn aan de onvolmaakte Adamitische natuur; dus niet slechts jegens de moeilijke karakters.
(2) Bereidheid tot het gaarne schenken van vergiffenis als er terechte klachten of grieven zijn jegens elkaar. 

Aangezien voor de nieuwe schepping Messias Jezus nog als de enige maatstaf geldt [alles en in allen de Messias; vers 11], moeten zij zich hierin aan hem spiegelen, dankbaar dat hij ook henzelf vrijelijk en gaarne vergiffenis schonk (Ef 4:32).

Maar vóór alle genoemde deugden dienen christenen zich te bekleden met de 
αγαπη, d.i. de goddelijke liefde. Waarom? Omdat de deugden van vers 12 slechts uitingen zijn van die liefde; daarom is die boven alles nodig.
Bovendien is ze 
een verenigende band der volmaaktheid.
De liefde, wanneer onderling betoond, stelt groepjes van christenen in staat werkelijk in hun aanbidding verenigd te blijven, ondanks alle menselijke manco’s.  

και η ειρηνη του Χριστου βραβευετω εν ταις καρδιαις υμωνεις ην και εκληθητε εν ενι σωματι· και ευχαριστοιγινεσθε.  

15 
En laat de vrede van de Messias de beslissende stem in jullie harten hebben; daartoe ook werden jullie in één Lichaam geroepen; en weest dankbaar.  

De vrede van de Messias is een innerlijke ervaring die alleen de Messias zelf geven kan doordat hij ons leven binnen komt met de heilige geest van God. Aan de vooravond van zijn dood zei hij daarover zelf: 


Maar de Helper, de heilige geest, welke de Vader zal zenden in mijn naam, die zal jullie alles onderwijzen en jullie alle dingen in herinnering brengen die ik tot jullie sprak. Vrede laat ik jullie, mijn vrede geef ik jullie; niet gelijk de wereld geeft, geef ik jullie. Laat jullie hart niet verontrust worden noch angstig.(Jh 14:26-27)

En Paulus zegt nu dat we de geest de gelegenheid moeten bieden om die vrede de overheersende rol in ons hart te laten spelen omdat ze daar rust brengt en innerlijke harmonie.
Daarvoor gebruikt Paulus op unieke wijze het werkwoord 
βραβευω dat duidt op het optreden van een scheidsrechter bij het kampen. Hij regelde de strijd en deelde de prijzen uit.

Die innerlijke vrede hangt overigens wel samen met een uiterlijk gebeuren, namelijk de roeping van het Gemeentelichaam als geheel. Niemand van ons werd als enkeling geroepen maar in verbondenheid met alle andere leden teneinde met elkaar één organisme te vormen.                                                          
Zie: 1 Korinthe 12vanaf vers 3.

Het is lonend te overdenken wat daarvan de consequenties zijn; ondermeer dat wij ontrouw worden aan onze roeping wanneer wij de vrede onderling niet bewaren. Wat een aanmoediging te meer om 
de vrede van de Messias altijd in ons binnenste de overhand te laten hebben; de innerlijke rust die dat met zich brengt, leidt dan als vanzelf tot een dankbare stemming jegens God.  

ο λογος του Χριστου ενοικειτω εν υμιν πλουσιωςεν παση σοφια διδασκοντες και νουθετουντες εαυτους ψαλμοις,υμνοιςωδαις πνευματικαις εν [τηχαριτι αδοντες εν ταις καρδιαις υμων τω θεω· και παν ο τι εαν ποιητε εν λογωη εν εργωπαντα εν ονοματι κυριου Ιησουευχαριστουντες τω θεω πατρι δι αυτου

16-17 Laat het woord van de Messias rijkelijk inwonend zijn in jullie, terwijl jullie in alle wijsheid elkaar onderwijzen en vermanen met psalmen, hymnen en geestelijke liederen, in liefderijke gunst, God in jullie harten toezingend. En al wat jullie doen, in woord of in werk, alles in naam van de Heer Jezus, dank brengend aan God de Vader door hem.

Vers 15 eindigt met de vermaning om dankbaar gestemd te zijn; zo ook vers 17.
Het ligt daarom voor de hand om alles in deze twee verzen in dat licht te zien.
Ging het in vers 15 om de 
vrede van de Messias in ons hart, ook zijn woord moet daar een blijvende plaats en invloed hebben; rijkelijk zelfs.
Met het woord van de Messias wordt het Evangelie bedoeld. Daardoor hebben wij de Zoon inderdaad leren kennen als het evenbeeld van God, zijn Vader, en gingen wij inzien dat hij sprak op een wijze alsof God zelf sprak, en dat de werken die hij deed als het ware door God zelf verricht werden (Jh 14:9-11).

Wanneer nu dát Evangelie op ruime wijze inwoning krijgt in ons hart, zal de uitwerking op ons denken, voelen en willen groot zijn en (wederom) op gunstige wijze tot uitdrukking komen in de relatie naar onze medeleden toe.
In de stemming van dankbaarheid zullen wij dan de gaven die ons zijn toebedeeld in wijsheid jegens elkaar aanwenden. 
Onderwijzingen en vermaningen - zaken die wij tot aan de Opname allen nodig hebben - zullen we met elkaar delen ενχαριτι, d.i. met de liefderijke gunst, vriendelijke stemming, als van God zelf.
Alles wat wij doen in woord en/of werk wordt immers gedaan in het bewustzijn dat Jezus de Heer is; het is allemaal op hém gericht en draagt bijgevolg een godsdienstig karakter. 


Elkaar onderwijzen en vermanen met psalmen, hymnen en geestelijke liederen, zoals ook wordt aangegeven in Ef 5:19, zal op een natuurlijke wijze plaats vinden wanneer wij samen zijn met anderen die zich in hun geloof ook geheel op de rijke inhoud van de Schrift verlaten. Als de geest in ons de stuwende kracht is zullen wij vreugdevol gestemd zijn en ons waarderend tegenover elkaar uiten.
God vanuit het hart toezingen duidt op niet-hoorbare [voor anderen] lofprijzing.
Αι γυναικεςυποτασσεσθε τοις ανδρασινως ανηκεν εν κυριω. Οι ανδρεςαγαπατε τας γυναικας και μηπικραινεσθε προς αυτας. Τα τεκναυπακουετε τοις γονευσιν κατα παντατουτο γαρ ευαρεστον εστιν εν κυριω. Οιπατερεςμη ερεθιζετε τα τεκνα υμωνινα μη αθυμωσιν.

18-21
 De vrouwen, onderwerpt je aan de mannen, zoals gepast is in [de] Heer. De mannen, hebt de vrouwen lief en weest niet bitter tegen hen. De kinderen, gehoorzaamt de ouders naar alles, want dit is welgevallig in [de]Heer. De vaders, tergt jullie kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
In Ef 5:22 – 6:9 vinden we soortgelijke vermaningen, maar aldaar uitvoeriger behandeld.

Bij het aandoen van de nieuwe mens is principieel alle onderscheid in sociale, culturele, godsdienstige en etnische achtergrond weggevallen, alsmede de aardse tegenstellingen qua ras en geslacht (Gl 3:26-29). Zie hier boven bij de vv 8 tm 11.
De enige maatstaf is nog de Messias; alles wat werkelijk telt en van waarde is wordt slechts in hem gevonden (de vv 10 en 11).
Dit beginsel van christelijke gelijkheid zou echter verkeerd uitgelegd kunnen worden; men zou voorbij kunnen gaan aan het feit dat het huidige leven geleid wordt binnen een maatschappij die volgens gezagsverhoudingen is geordend. Ook binnen het gezinsleven is dat het geval.
Enerzijds leert de apostel dat binnen het Gemeentelichaam alle leden de zelfde status hebben op godsdienstig gebied; anderzijds legt hij uit dat dit de bestaande sociale en huiselijke verhoudingen niet wijzigt. Eerder, in 1Ko 7:20-24, had hij christenen aangemoedigd de sociale verhoudingen binnen de maatschappij te accepteren; hier vermaant hij ons ze ook te respecteren.

Een en ander wil in het geheel niet zeggen dat "het woord van de Messias", het Evangelie, dat -als het goed is- rijkelijk bij een christen inwonend is (vers 16), geen invloed zou hebben op de aardse verhoudingen, waaronder die binnen gezinnen. Dat is wel degelijk het geval. Wanneer hij christelijke vrouwen aanmoedigt hun mannen als hoofd te erkennen, en kinderen het gezag van hun ouders, voert de apostel een godsdienstig motief aan: het is gepast 
in de Heer en hem welgevallig.

Eerder, in 1Ko 11:3, 9, had Paulus de motivering waarom de vrouw zich schikt naar haar echtgenoot, uit het scheppingsverslag afgeleid.
Maar in Ef 5:25, 28 moedigt hij echtgenoten op hun beurt aan hun vrouwen lief te hebben, 
gelijk ook de Messias de Gemeente liefhad en zichzelf voor haar overgaf. Daardoor wordt de vrouw verheven tot de gelijkwaardige levensgezellin van de man; haar natuurlijke omstandigheid als het zwakker vat wordt gerespecteerd en niet misbruikt zoals zo vaak binnen het Heidendom het geval is.  

Οι δουλοιυπακουετε κατα παντα τοις κατα σαρκα κυριοιςμη εν οφθαλμοδουλια ως ανθρωπαρεσκοιαλλ εναπλοτητι καρδιαςφοβουμενοι τον κυριον. ο εαν ποιητεεκ ψυχης εργαζεσθεως τω κυριω και ουκ ανθρωποις,ειδοτες οτι απο κυριου απολημψεσθε την ανταποδοσιν της κληρονομιαςτω κυριω Χριστω δουλευετε· ο γαραδικων κομισεται ο ηδικησενκαι ουκ εστιν προσωπολημψια

22-25
 De slaven, gehoorzaamt naar alles de heren naar het vlees, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar in oprechtheid van hart, met ontzag voor de Heer. Wat jullie ook doen, werkt met hart en ziel, als voor de Heer en niet voor mensen, wetend dat jullie van de Heer als vergoeding de erfenis zullen ontvangen; dient de Heer Messias als slaven. Want wie onrecht doet, zal wat hij aan onrecht deed, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons. 

Terwijl de vermaningen aan de gezinsleden in deze Brief beperkter in omvang zijn dan in de Efezebrief, zijn de aanwijzingen die de apostel hier geeft met betrekking tot de verhouding tussen slaven en hun heren juist iets uitvoeriger.
Vrijwel zeker houdt dit verband met de kwestie van Onesimus die zijn meester Filémon te Kolosse was ontvlucht en nu, in gezelschap van Tychikus, als broeder terugkeert.
Weliswaar had Paulus zelf voor die terugkeer gezorgd - waarmee hij Onesimus’ vlucht als onrechtmatig erkende - maar het begrip waarmee hij deze kwestie in de afzonderlijke Brief aan Filémon behandelde, kon een verkeerde indruk wekken.

De nieuwe norm, dat in de Messias christelijke gelijkheid geldt wat betreft de nieuwe mens, brengt immers geen verandering in het gegeven dat wij allen nog steeds leven binnen een maatschappij die volgens gezagsverhoudingen geordend is.
We wezen al eerder op 1Ko 7:20-24, waar de apostel slaven de raad gaf de bestaande sociale verhoudingen te accepteren. En ook nu, in deze Brief, vermaant hij christelijke slaven op die basis hun meesters naar het vlees van harte en zonder voorbehoud gehoorzaam te zijn; in alle oprechtheid, als deden zij het voor de Heer zelf.

Eigenlijk gaat de apostel daarmee nog een stap verder dan wat de Romeinse wet eiste. Want terwijl die zich tevreden stelde met uiterlijke onderwerping, dringt de apostel aan op een gehoorzaamheid die vanuit innerlijke, godsdienstige motieven voortkomt.
Bovendien kweekte het Heidendom bij de slaven vormen van ogendienst; slaven trachtten misschien slechts in schijn hun meesters te behagen, terwijl zij in werkelijkheid innerlijk vervuld waren van haat en wrok.
Bij de christelijke slaaf daarentegen moesten de innerlijke motieven niet strijdig zijn met zijn uiterlijke gedragingen. Dát wordt bedoeld met dienen in eenvoud [απλοτης], of oprechtheid van hart. En hij onderwerpt zich ook niet uit vrees voor straf aan zijn aardse meester, maar uit eerbied voor zijn hemelse Heer. De Heer zal immers genoegdoening schenken voor alle eventueel geleden onrecht. Allen, slaven of vrijen, zijn wij immers Gods zonen en bijgevolg ook zijn erfgenamen. Tezamen met onze Heer, de Messias, zullen we alle dingen beërven (Gl 4:7Rm 8:17, 32Ef 1:18).
Wie onrecht doet, zal wat hij aan onrecht deed, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons… 
Uit een vergelijking met Ef 6:8-9 blijkt dat dit zowel voor meesters als voor slaven geldt, en zelfs als een algemeen beginsel kan worden opgevat voor alle leden van het Gemeentelichaam, zeker als we in aanmerking nemen wat in 2Ko 5:10 staat opgetekend over ons toekomstig verschijnen voor Christus’ rechterstoel (zie het commentaar op het volgende vers).

Geen opmerkingen: