Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

donderdag 9 januari 2014

Kolossenzen - Hoofdstuk 1


De stad Kolosse stond in de prachtige Lycus vallei, in de Romeinse provincie Asia

Kolossenzen 1
A. Inleiding (1:1-12)

1. Opschrift en groet (1:1-2)

Παυλος αποστολος Χριστου Ιησου δια θεληματος θεου και Τιμοθεος ο αδελφος τοις εν Κολοσσαις αγιοις και πιστοις αδελφοις εν Χριστω· χαρις υμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ημων.

1-2 Paulus, apostel van Messias Jezus door [de] wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de heilige en gelovige broeders in[de] Messias onder [de] Kolossenzen: liefderijke gunst voor jullie en vrede van God onze Vader.


Uit een vergelijking van Ef 6:21-22 met Ks 4:7-16 mag wellicht de conclusie getrokken worden dat Paulus, verblijvend in Romeinse gevangenschap (of: huisarrest) in de periode 60-62 AD, zowel een Brief schreef aan de Laodicenzen -die overigens bekend kwam te staan als de Efeze Brief - als aan de Kolossenzen. Tychikus had tot taak de Brieven te bezorgen en beide gemeenten te informeren over Paulus’ situatie te Rome. Tevens was het de uitdrukkelijke wens van de apostel dat de twee gemeenten de Brieven met elkaar zouden uitwisselen.

Uit Ks 4:9 vernemen we dat Tychikus de reis maakte in het gezelschap van Onesimus en dat is weer aanleiding voor de aanname dat beide broeders ook nog in het bezit waren van een derde Brief, die welke afgegeven moest worden aan Filémon, waarschijnlijk door Onesimus omdat deze, een weggelopen slaaf maar te Rome met de hulp van Paulus een christen geworden, door de apostel naar zijn meester Filémon werd teruggestuurd (Fm 1:10-20).

De inleiding van de Brief en de zegenwens die Paulus tot de Kolossenzen richt, komen vrijwel overeen met die aan de Laodicenzen (Ef 1:1-2).
Het verschil is dat de apostel hier ook Timotheüs als mede-afzender van de Brief vermeldt; wellicht was hij persoonlijk aan enkele leden van de gemeente bekend. Zie ook Fm 1:1.

Filémon was blijkbaar een welgestelde broeder te Kolosse; in zijn huis kwam de gemeente bijeen. Vergelijk Ks 4:17 met Fm 1:2.
Wellicht werden de vermaningen die Paulus tot zowel christelijke slaven als hun (christelijke) meesters richtte, in respectievelijk Ef 6:5-9 en Ks 3:22-4:1, mede ingegeven door de situatie omtrent Onesimus.
Aan de heilige en gelovige broeders in [de] Messias onder [de] Kolossenzen…Een veelbetekende aanhef; ze zet de toon voor deze Brief en bevat een eerste hint dat er geen geringe geestelijke gevaren dreigen.
Binnen de gelederen van de plaatselijke gemeente heerst namelijk grote verdeeldheid en strijd. Door sommigen worden er wel zeer vreemde ideeën op na gehouden; erger nog, die leringen worden ook verkondigd waardoor de ware gelovigen onder grote geestelijke druk zijn komen te staan; zij worden ernstig in hun geloofsbegrip bedreigd.

Tot hen richt Paulus zich in het bijzonder; zij moeten op hun hoede zijn voor met de Messias strijdige leringen, gelanceerd zowel vanuit het Jodendom als uit heidense kringen- opdat zij als
 heilige en gelovige broeders in [de]Messias aangemerkt kunnen blijven.
2. Dankzegging en gebed (1:3-12)
Ευχαριστουμεν τω θεω πατρι του κυριου ημων Ιησου Χριστου παντοτε περι υμων προσευχομενοιακουσαντες τηνπιστιν υμων εν Χριστω Ιησου και την αγαπην ην εχετε εις παντας τους αγιους δια την ελπιδα την αποκειμενην υμινεν τοις ουρανοις,
3-5 
Wij danken de God, Vader van onze Heer Jezus Messias altijd, wanneer wij voor jullie bidden, aangezien wij gehoord hebben van jullie geloof in Messias Jezus en de liefde die jullie hebben voor al de heiligen, wegens de hoop die voor jullie is weggelegd in de hemelen.
Ondanks de bedenkelijke tijdingen welke Paulus door de komst van Epafras hebben bereikt, heeft hij reden om God te danken voor het geloof en de liefde waarvan de heilige en gelovige broeders blijk geven, een liefde [αγαπη] die door de geest van God wordt bezield (vv 7-8).

Die liefde strekt zich uit tot alle leden van het Lichaam, de Gemeente, en wordt gevoed door de hoop die zij gemeenschappelijk hebben.
Wegens de hoop die voor jullie is weggelegd in de hemelen…Nergens anders wordt door Paulus in zulke heldere termen gezinspeeld op de unieke bestemming van christenen. De hoop die door de geest in hun harten wordt geplant is de stellige verwachting om met hun Hoofd, de Messias, in de hemel verenigd te worden; een hoop dermate zeker dat ze voor hen als het ware in de hemelen is weggelegd.
Christenen zijn hemelburgers; vanwege de werking van de geest die hun als onderpand is gegeven, bevinden zij zich al bij voorbaat in de hemelsferenzoals in de Efezebrief geregeld wordt aangegeven (Ef 1:3-4; 2:6).
Vergelijk ook 1Th 4:15-17Fp 3:1420-21.

Maar wanneer Paulus God dankt, haast hij zich er aan toe te voegen dat Hij 
Vader van onze Heer Jezus Messias is.
Ook daarmee wordt een toon gezet voor wat volgt; beter gezegd: een 'hoofdtoon'. De Messias, Jezus, ons Hoofd, neemt de centrale plaats in deze Brief in.
Het is waar dat er grote overeenkomst bestaat tussen dit Bijbelboek en de Efezebrief. In beide wordt breed uitgeweid over het mysterie, het geheimenis van het Gemeentelichaam, waarvan de Messias het Hoofd en christenen de afzonderlijke leden zijn. 
Maar terwijl in Efeze (3:6) van het mysterie wordt gezegd dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezuszal Paulus straks, in Ks 1:27, verklaren dat de Messias zélf het mysterie is: de Messias in jullie, de hoop der heerlijkheid.
Er zijn voor Paulus heel belangrijke redenen om Messias Jezus op die wijze in het middelpunt van deze Brief te plaatsen. De christenen worden van binnenuit bedreigd door gevaarlijke dwaalleringen, door Grieks filosofisch denken en joods ritualisme.
Met het oog daarop krijgt het Messiasgeheim zoveel aandacht van Paulus; de dwaalleraren maken er aanspraak op in het bezit te zijn van een geheimzinnige, esoterische vorm van wijsheid, nauw verwant aan de latere Gnosis waarbij de Messias wel een rol speelde, maar een ondergeschikte.

Maar dat alles wordt door Paulus bestempeld als
 ijdel bedrogBuiten de Messias is zelfs in het geheel geen ware wijsheid te vinden: Want in hem [de Zoon] heeft de hele volheid [van God] het goedgedacht te wonen.Daarom kunnen wij, christenen, alleen door tussenkomst van hem, ons Hoofd, een goddelijke mate van volheidverkrijgen (Ks 1:192:8-10).
ην προηκουσατε εν τω λογω της αληθειας του ευαγγελιου του παροντος εις υμαςκαθως και εν παντι τω κοσμωεστιν καρποφορουμενον και αυξανομενον καθως και εν υμιναφ ης ημερας ηκουσατε και επεγνωτε την χαριν τουθεου εν αληθεια· καθως εμαθετε απο Επαφρα του αγαπητου συνδουλου ημωνος εστιν πιστος υπερ υμωνδιακονος του Χριστουο και δηλωσας ημιν την υμων αγαπην εν πνευματι.

5-8 Daarover hoorden jullie al eerder in de verkondiging van de waarheid van het Evangelie, hetwelk onder jullie aanwezig is, zoals het ook in de hele wereld bezig is vrucht te dragen en te groeien, evenals ook in jullie, van de dag af dat jullie het hoorden en de liefderijke gunst van God in waarheid leerden kennen, zoals jullie vernamen van Epafras, onze geliefde medeslaaf, die een getrouw dienaar van [de] Messias is ten behoeve van jullie, die ons ook jullie liefde in geest kenbaar maakte.
De volzin is onderdeel van de volzin die al met vers 3 begon en waarin Paulus de redenen opsomt die hij heeft om dank te zeggen aan God voor de geestelijke zegen die de heilige en gelovige broeders ervaren in hun verbondenheid met Gods Zoon, de Messias. Ondanks de geestelijke gevaren die hen omringen genieten zij een grote mate van geestelijke voorspoed.
Epafras die hun de waarheid van het Evangelie heeft onderwezen, heeft Paulus te Rome daarover geïnformeerd.

De Kolossenzen ontvingen hetzelfde Evangelie dat ook in veel andere plaatsen [in de vorm van een hyperbool:
 in de hele wereldis doorgedrongen. En overal draagt het geestelijke vrucht en geeft het blijk van groeikracht.
Vanaf de eerste dag is de invloed en de zegenrijke uitwerking ervan op hen groot geweest. En dat komt doordat zij de
χαριν του θεου, d.i. Gods genade of liefderijke gunst, in haar ware vorm leerden kennen, dus niet in de verdraaide leringen zoals die nu binnen hun geloofsgemeenschap worden verbreid.

En of dit niet reeds voldoende apostolische steunbetuiging aan het adres van Epafras en zijn werkzaamheden inhoudt, noemt Paulus hem ook nog onze geliefde medeslaaf, een getrouw dienaar van [de] Messias ten behoeve van jullie.En dit alles blijkbaar met het oogmerk dat deze broeders overtuigd blijven van het feit dat zij destijds het Evangelie in zijn juiste vorm ontvingen, en bijgevolg geen enkele reden hebben om gehoor te geven aan afwijkende leringen.
Δια τουτο και ημειςαφ ης ημερας ηκουσαμενου παυομεθα υπερ υμων προσευχομενοι και αιτουμενοι ιναπληρωθητε την επιγνωσιν του θεληματος αυτου εν παση σοφια και συνεσει πνευματικηπεριπατησαι αξιως τουκυριου εις πασαν αρεσκειανεν παντι εργω αγαθω καρποφορουντες και αυξανομενοι τη επιγνωσει του θεου,

9-10 
Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan hoorden, niet op voor jullie te bidden en te vragen dat jullie vervuld mogen worden met de verdiepte kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht; om de Heer waardig te wandelen tot alle welbehagen, in elk goed werk vrucht dragend en groeiend door de verdiepte kennis van God;
Paulus laat nu aan zijn lezers te Kolosse weten hoe hij en Timotheüs het werk dat Epafras als een waar dienaar van de Messias onder hen heeft verricht, door hun voortdurend gebed tot God ondersteunen.
Om voort te gaan in rechtschapenheid en stand te kunnen houden tegen de ondermijnende invloed der valse leraren, hebben zij veel wijsheid en geestelijk inzicht nodig. Maar hoe worden die noodzakelijke dingen verkregen?
Paulus antwoord luidt: door een verdiepte kennis van Gods wil.

De apostel heeft het niet over 
γνωσις [gnoosis; het gewone woord voor kennis], maar over επιγνωσις [epignoosis] dat duidt op grondige, verdiepte kennis.
Waarom?

Omdat de aard van het Christendom zelf daarom vraagt; het verkrijgen van het juiste begrip omtrent de christelijke ideeën die zo rijk aan inhoud zijn en tevens zo heel apart, vergt een grondig verstandelijk onderzoek.
Alleen wanneer er waardering is voor de juiste godsdienstige kennis kan er met succes weerstand geboden worden aan de drogredenen van vermeende onderwijzers die niet zelden hun overredingskracht aanwenden door een beroep te doen op emoties en het sentiment.

Er is dus niets verkeerds aan een intellectuele benadering van de christelijke grondslagen; integendeel, door een grondige, verstandelijke overdenking daarvan, wordt juist de grootsheid en de heerlijkheid ervan ervaren (Ef 1:15-19) En dát nu uit zich bij waarderende en dankbare mensen vervolgens in lofprijzingen aan God die in verband met de treurige situatie van het mensdom in zijn Zoon een 'reddingsplan' ontwierp waarvan erkend moet worden: 

Wat geen oog zag en oren niet hoorden
en in geen mensenhart opkwam, 
de dingen die God bereidde voor hen die hem liefhebben (1Ko 2:9).

Grondige kennis van de principes waarop het Christendom berust is uiteraard geen doel op zichzelf; ze moet ons, evenals de Kolossenzen, brengen tot een levenswandel die de Heer waardig is, dusdanig dat wij hem daarin welgevallig zijn. Hoe? Ondermeer door vrucht te dragen in elk goed werk en ook zelf, steunend op de verdiepte kennis, geestelijk te blijven groeien.

εν παση δυναμει δυναμουμενοι κατα το κρατος της δοξης αυτου εις πασαν υπομονην και μακροθυμιανμετα χαρας

11 
in alle kracht bekrachtigd naar de macht van zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap;

Paulus
 onderscheidt dat zijn lezers, om geduldig te kunnen volharden onder tegenstand, zonder hun vreugde te verliezen, naast een grondig begrip van de christelijke principes, ook bovennatuurlijke hulp nodig hebben. Dus doet hij in zijn gebeden tevens een beroep op de Vader dat de Kolossenzen in alle kracht bekrachtigd mogen worden welke in overeenstemming is met de macht van zijn heerlijkheidDoor de begrippen volharding en lankmoedigheid te noemen erkent de apostel dat christenen moeten berusten in het feit dat zij tijdens hun levenswandel op aarde met moeilijke situaties geconfronteerd zullen worden.

Dat is nu eenmaal onvermijdelijk in een wereld die in geestelijke duisternis is gedompeld vanwege de onzichtbare heerschappij die in de hemelsferen wordt uitgeoefend door de goddeloze geestenkrachten onder hun opperhoofd de Duivel.
Voor Paulus was dit één van zijn redenen om er bij hen op aan te dringen dat zij ook zijn Brief aan de Laodicenzen (de Efezebrief) te lezen zouden krijgen, omdat hij daarin uitgebreid was ingegaan op de noodzaak van de geestelijke wapenrusting (Ef 6:10-18Ks 4:16).

ευχαριστουντες τω πατρι τω ικανωσαντι υμας εις την μεριδα του κληρου των αγιων εν τω φωτι·

12 
de Vader dankend, die jullie geschikt maakte om deel te hebben aan het erfgoed van de heiligen in het licht;
Paulus noemt nog een reden waarom de Kolossenzen met een volledig vertrouwen kunnen steunen op alles wat God door zijn geest, met Epafras als het menselijk instrument van Messias Jezus, in hen bewerkte: zij zijn van zijn goddelijk standpunt uit bezien reeds geschikt gemaakt om deel te hebben aan het erfgoed van de heiligen in het licht.
 Zij kunnen de Vader voor die gunst niet genoeg danken; het participium dankend is van tegenwoordige, duratieve aard.
Gehoor geven aan de drogredenen van de valse leraren die de vijand van het licht, de Satan, op hen afstuurde, kan alleen maar afbreuk doen aan die nieuwe geestelijke situatie, welke Paulus elders aanduidt als de 
nieuwe schepping(Gl 6:152Ko 5:17).
Het erfgoed der heiligen in het licht is een nadere omschrijving van de hoop die voor jullie is weggelegd in de hemelen van vers 5.
Zoals het Beloofde Land het aan Israël toegezegde deel van 
het erfgoed der heiligen was en feitelijk nog steeds is, dat wil zeggen een aardse bestemming binnen het Messiaanse koninkrijk, is de hemel, waar God in een ontoegankelijk licht woont, het deel van het erfgoed [κληρος] dat aan de christelijke Gemeente is toebedeeld (Gn 13:14-16; 28:12-151Tm 6:16).

De apostel maakt met deze vermelding reeds een overgang naar het dogmatische deel van deze Brief. Christenen zijnnu reeds in een zeker opzicht licht, maar voorheen waren zij duisternis ( Ef 5:8 )
B. Dogmatisch deel (1:13 – 2:23)

1. De voorrang van de Messias (1:13-23)
ος ερρυσατο ημας εκ της εξουσιας του σκοτους και μετεστησεν εις την βασιλειαν του υιου της αγαπης αυτουεν ωεχομεν την απολυτρωσιντην αφεσιν των αμαρτιων·
13-14 
die ons ontrukte aan de macht der duisternis en overbracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden.
Toen de Vader ons in zijn Zoon riep en geschikt maakte om met de heiligen deel te hebben aan het erfgoed, moest hij ons eerst bevrijden uit het machtsgebied der duisternis.
Er is een duidelijke relatie met Ef 6:12 waar Paulus toont dat dit machtsgebied gedomineerd wordt door
 de overheden, de machten, de wereldheersers van deze duisternis, de goddeloze geestenkrachten in de hemelsferen.
Door de millennia heen hebben dezen zich gemanifesteerd als tegenstanders van God en zijn Zoon, maar ook van allen die Gods zijde kiezen. In het Messiaanse tijdperk is het geestelijke zaad van Abraham hun speciale doelwit.
En zoals bekend, uit Js 14:17, is het demonenrijk nooit bereid voor zijn gevangenen de poorten naar de vrijheid te openen. Om die reden moeten de leden van het Israël Gods, elk afzonderlijk, ontrukt worden aan dat duistere machtsgebied.
Toen hij voor koning Agrippa zijn pleidooi hield, maakte Paulus, als apostel der Heidenen, bekend dat hem in die geestelijke bevrijding van mensen een rol was toebedeeld. Ten tijde van zijn eigen roeping had de Heer zelf namelijk het volgende tot hem gezegd:
Daartoe
 ben ik aan je verschenen, om je aan te stellen tot ondergeschikte en getuige, zowel van de dingen die je van mij zag als van die waarin ik je [nog] zal verschijnen, terwijl ik je wegneem uit het volk en uit de Heidenvolken, tot wie ik je zend om hun ogen te openen; om hen van duisternis tot licht, en van de macht van de Satan tot God te keren; opdat zij vergeving van zonden ontvangen en een erfdeel onder hen die door geloof in mij geheiligd zijn.(Hn 26:16-18)
Die ons ontrukte aan de macht der duisternis en overbracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde…Hieruit spreekt de innige, persoonlijke betrekking tussen de Vader en zijn Zoon.
Aangezien de leden van de Gemeente echter bij hun roeping die geliefde Zoon, de Messias, gaan toebehoren, raken ook zij betrokken bij die innige relatie. Tegelijkertijd worden zij overgezet in een ander machtsgebied, dat van zijn koninkrijk.

Bij Jezus’ paroesie zal het Messiaanse koninkrijk volledig in werking komen en vervolgens 1000 jaar lang functioneren om verschillende oogmerken van Gods voornemen te verwezenlijken (Dn 2:44Op 11:15-17).
In de Efezebrief komen die doelstellingen eveneens in beeld maar daar wordt het koninkrijk omschreven als een oikonomia, in principe een huishoudelijk- of staatkundig bestuur.
De nadruk ligt daarbij op het feit dat er weer orde moet komen in het universum. Alles in hemel en op aarde moet in harmonie met God worden teruggebracht.

Uit Ef 1:9-11 vernemen we dat alle dingen, zowel de hemelse als de aardse,
 samengevat worden in de Messiasdat wil zeggen dat alles in hemel en op aarde onder hem als het ene Hoofd komt. Alles moet gericht worden op hem, Gods Zoon die als de Mensenzoon hemel en aarde verbindt (Dn 7:13-14). Het resultaat moet zijn dat de door de zonde veroorzaakte wanorde wordt verwijderd en het gehele universum weer in eenheid, in volkomen harmonie, met God geraakt, en de mensheid op aarde wordt gezegend krachtens het offer van de Messias.
Een doelstelling die daarmee samenhangt was door Paulus al eerder aangegeven in 1Ko 15:24-26, t.w.:

Daarna het einde, wanneer hij het koninkrijk overdraagt aan de God en Vader, wanneer hij alle heerschappij en alle macht en kracht tenietdoet. Want hij moet koninklijke macht uitoefenen totdat hij alle vijanden onder zijn voeten legt. Laatste vijand die tenietgedaan wordt [is] de dood. 
Als christenen leven wij derhalve thans nog binnen een koninkrijk dat in voorbereiding is, in anticipatie om zo te zeggen.
Maar ook al is het koninkrijk in zekere zin toekomstig - denk ook aan Paulus’ aanmoediging aan zijn broeders te Galatië
Wij moeten door veel verdrukkingen heen het koninkrijk Gods binnengaan (Hn 14:22) - christenen bevinden zich niettemin thans reeds in haar machtsgebied; het bekende onderpandidee; alles in voorlopige zin, in afwachting van wat komen gaat (2Ko 1:22).

Buiten Ks 1:13 zijn 1Ko 4:20 en Rm 14:17 de zeldzame andere plaatsen in Paulus’ Brieven waar hij omschrijft welke heilzame invloed wij, christenen, nu reeds ondervinden terwijl wij binnen de invloedssfeer [het machtsgebied] van dat koninkrijk in wording verkeren:

Het koninkrijk Gods [bestaat] niet in woord, maar in kracht.
en
Het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en vreugde, in heilige geest.

ος εστιν εικων του θεου του αορατουπρωτοτοκος πασης κτισεωςοτι εν αυτω εκτισθη τα παντα εν τοις ουρανοιςκαι επι της γηςτα ορατα και τα αοραταειτε θρονοι ειτε κυριοτητες ειτε αρχαι ειτε εξουσιαι· τα παντα δι αυτου καιεις αυτον εκτισταικαι αυτος εστιν προ παντων και τα παντα εν αυτω συνεστηκεν.
15-17 Hij is evenbeeld van de onzichtbare God, eerstgeborene van alle schepping, omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen. En zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem.
Het relatieve voornaamwoord ος [die] verbindt hem die evenbeeld is van de onzichtbare God met de Zoon van zijn liefde (v 13), in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden (v 14).
Voor Paulus is dit het vertrekpunt om nu de hoge positie te gaan schilderen welke de Zoon binnen de schepping inneemt.

Om zijn betoog naar waarde te kunnen schatten is het fundamenteel dat wij beginnen met vast te stellen dat de Zoon zelf ook tot het geschapene behoort, hetgeen geconcludeerd kan worden uit het feit dat hij 
eerstgeborene van alle schepping is.
Hoe wij 
πρωτοτοκος ook nemen, hetzij als eerste van alle geschapen wezens, hetzij zijn voorrang in waardigheid en verhevenheid boven al het andere geschapene (vergelijk Ex 4:22Ps 89:28), feit blijft dat ook hijzelf deel uitmaakt van Gods schepping.

Maar als Gods eerste schepping is hij tevens ook zijn voornaamste, zelfs in die mate dat hij tot Gods evenbeeld werd gemaakt, of zoals de apostel in de derde gevangenisbrief schrijft: 
bestaande in gestalte Gods (Fp 2:6), daarbij verwijzend naar zijn pre-existentie.
Nadat hij als mens het verzoenend offer van zijn eigen leven had gebracht en weer naar de tegenwoordigheid van zijn Vader in de hemel was teruggekeerd, beschrijft de apostel de Zoon als afstraling der heerlijkheid en precieze afdruk van zijn [Gods] wezen (Hb 1:3).
Omdat in hem alle dingen werden geschapen…Hiermee motiveert Paulus het feit dat onze Messias zowel Gods evenbeeld als eerstgeborene van alle schepping is. Wat bedoelt hij?
Laten we eerst vaststellen dat het 
in hem [hier, in v 16] niet hetzelfde betekent als door hem aan het einde van dat vers.

In hem geeft te kennen dat al het geschapene onverbrekelijk met zijn persoon is verbonden. Zonder hem zou er verder in het geheel niets geschapen zijn. 
Johannes, de apostel, bevestigt dat feit in Jh 1:3, wanneer hij met betrekking tot de pre-existente Logos constateert:Alle dingen zijn door hem ontstaan, en afgescheiden van hem is zelfs niet één ding ontstaan. Zie ook Jh 1:10.

Trouwens, in vers 17 geeft Paulus voor alle helderheid te kennen dat we in hem precies zó moeten opvatten: zelf is hij vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in hem.De Zoon van Gods liefde is niet alleen degene door wiens tussenkomst God heel de overige schepping voortbracht, maar ook het voortbestaan van die schepping is geheel en al aan hem 'opgehangen', d.i. van hem afhankelijk gemaakt.

In directe samenhang hiermee is de Zoon dan ook einddoel van het geschapene, want alle dingen zijn niet alleen 
door hem [δι αυτου], maar ook tot hem of voor hem [εις αυτον] geschapen.
De schepping wordt aan hem die ze namens God voortbracht, vervolgens ook als erfenis gegeven: die [de Zoon] hij tot erfgenaam van alle dingen stelde, door wie hij ook de aeonen maakte (Hb 1:2).

Vergelijk: Ps 2:7-8Jh 16:15

De leden van het Gemeentelichaam genieten het onuitsprekelijke voorrecht om met hun Hoofd in die erfenis te delen (Rm 8:17).

Hoe dan heeft God alle (overige) dingen 
in hem geschapen?
Welnu, God kent Zichzelf volkomen; zijn wezen is hem nergens vreemd, in tegenstelling tot ons, mensen. Wij kunnen soms met enige schrik constateren wat er zoal diep in ons binnenste schijnt te leven; zo niet bij God, Hij doorgrondt zichzelf volkomen (1Ko 2:10).
Bijgevolg was hij in staat de Zoon van zijn liefde zodanig voort te brengen dat in deze zijn eigen wezen volkomen zichtbaar werd, weerspiegeld als het ware; een waar evenbeeld derhalve.

In die pre-existente Zoon zag de Vader dan ook de geschapen dingen in oerbeginsel aanwezig. Dit verklaart waarom God tegen het einde van de Zesde scheppingsdag [of: -periode] kon zeggen: 
Laat ons mensen maken, naar ons beeld, overeenkomstig onze gelijkenis (Gn 1:26).
God had zelf, persoonlijk, tot deze actie kunnen overgaan, maar dat behoorde niet tot zijn raadsbesluit. Door tussenkomst van zijn Zoon zou het scheppingsgebeuren verwezenlijkt worden, want in hem moesten alle dingen voortgebracht worden.

In Sp 8:22-31 waar de gepersonifieerde Wijsheid spreekt, kunnen wij beluisteren hoe de Zoon in die toewijzing een groot behagen schepte. Maar ook dat hij toch alle eer aan God geeft voor al de wonderbare scheppingswerken die hij namens Hem mocht voortbrengen:

Jehovah
 zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van oudsher. Vanaf onbepaalde tijd was ik aangesteld, van de aanvang af, vanaf tijden vroeger dan de aarde. Toen er geen waterdiepten waren, werd ik als met barensweeën voortgebracht, toen er geen bronnen waren, zwaar beladen met water. Voordat de bérgen waren neergelaten, vóór de heuvels, werd ik als met barensweeën voortgebracht, toen hij de aarde nog niet had gemaakt, noch de open ruimten, noch het eerste gedeelte van de stofmassa’s van het productieve land.
Toen hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen hij een kring over de oppervlakte van de waterdiepte verordende, toen hij de wolkgevaarten daarboven verstevigde, toen hij de bronnen van de waterdiepte krachtig maakte, toen hij de zee zijn verordening stelde, dat de wateren zelf zijn bevel niet zouden overschrijden, toen hij de grondvesten der aarde verordende, toen werd ik als een meesterwerker naast hem, en ik werd degene op wie hij dag aan dag bijzonder gesteld was, terwijl ik te allen tijde vrolijk was voor zijn aangezicht, vrolijk over het productieve land van zijn aarde; en de dingen waarop ik ten zeerste gesteld was, waren bij de zonen der mensen.
(nwv)

Over de in deze versie gebruikte term meesterwerker, als weergave voor het Hebreeuwse 'amoon, geeft Gesenius het volgende aan: artificer, architect, master-workman, as firm and sure in his workmanship: I was at his side architect, master-workman.
Omdat in hem alle dingen werden geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare dingen; hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen…
Met tronen, heerschappijen, overheden, machten doelde Paulus waarschijnlijk op verschillende rangorden die onder de engelen als onzichtbare vorsten en machten bestaan. In de Openbaring zien we hen derhalve -niet geheel onverwacht- in de directe nabijheid van Gods troon, maar dan onder het zinnebeeld van vier Levende wezens:

En in het midden van de troon en rondom de troon vier levende wezens, voor en achter vol zijnde van ogen
(1e) gelijkend op een leeuw
(2e) op een jonge stier
(3e) hebbend het gezicht als van een mens
(4e) gelijkend op een vliegende arend… 
hebbend een ieder van hen zes vleugelsrondom en binnenin vol van ogen, en dag noch nacht hebben zij rust zeggend: Heilig, heilig, heilig de Heer God de Almachtige, Hij die was en Hij die is en Hij die komt.
(Op 4:6-8)

In de symboliek van de Openbaring is vier steeds het getal dat verbonden is met de aarde en met heerschappij; derhalve vervullen zij een rol in Gods heerschappij over zijn aardse schepping.
Hun relatie met de aarde blijkt ook uit het feit dat zij een gelijkenis vertonen met aardse schepselen, dieren en de mens.
Gezien in het licht van Jesaja 6 en Ezechiël 1 en 10, komen we tot de gevolgtrekking dat zij niettemin hemelse geesten zijn, aangeduid als cherubim en serafim, die Gods heerschappij (zijn Troon) en zijn heiligheid tegenover de mens op aarde hooghouden (Js 6:1-3Ez 1:22, 25-27).
Deze machtige gestalten die opkomen voor Gods absolute soevereiniteit, met hun altijd wakende ogen, verzinnebeelden kennelijk Gods wereldbestuur.

Binnen het opkomend Gnosticisme te Kolosse ontvingen engelen een mate van verering afhankelijk van hun veronderstelde rangorde. Maar doordat de apostel aangeeft dat God hen alle 
in de Zoon, zijn evenbeeld, schiep en vervolgens vermeldt dat ze mettertijd ook werkelijk door hem werden geschapen, demonstreert hij Jezus’ superioriteit over hen.

Een en ander komt nog sterker tot uitdrukking in het feit dat zij ook 
tot hem zijn geschapen. Als de aartsengel geeft hij derhalve leiding aan hen en bepaalt hij hun toewijzingen. 
Teksten als Mt 16:2724:31 en Op 12:7 geven te kennen dat zij zijn engelen zijn. Zo was de situatie in zijn pre-existentie, maar is ze ook ná zijn terugkeer in de hemel (1Pt 3:22Hb 1:1-14).
Bovendien beweegt de gehele heilsgeschiedenis zich in een zodanige richting dat te zijner tijd al het geschapene God heerlijkheid zal geven in erkenning van de positie van de Heer en Messias Jezus ( Fp 2:9-11 )
και αυτος εστιν η κεφαλη του σωματος της εκκλησιας· ος εστιν αρχη, πρωτοτοκος εκ των νεκρωνινα γενηται ενπασιν αυτος πρωτευωνοτι εν αυτω ευδοκησεν παν το πληρωμα κατοικησαι και δι αυτου αποκαταλλαξαι τα πανταεις αυτονειρηνοποιησας δια του αιματος του σταυρου αυτου, [δι αυτουειτε τα επι της γης ειτε τα εν τοιςουρανοις.

18-20
 En zelf is hij het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente; hij die oorsprong is, eerstgeborene uit de doden, opdat hijzelf in alle dingen de voorrang zou hebben, omdat het heel de Volheid goeddacht in hem te wonen, en door hem alle dingen geheel tot hem te verzoenen, vrede gemaakt hebbend door het bloed van zijn martelpaal, door hem, hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.
Na uitgelegd te hebben dat de oorspronkelijke schepping
- in oerbeginsel aanwezig was in de Zoon van Gods liefde;
- door die Zoon werd voortgebracht;
- voor de Zoon bestemd is; en
- in haar voortbestaan van de Zoon afhankelijk is,
gaat
 de apostel nu soortgelijke dingen zeggen over de nieuwe schepping.

Een en ander heeft te maken met het feit dat 
het heel de Volheid behaagde in hem te wonen.
Πληρωμα [volheid] werd binnen het Hellenistische Heidendom gebruikt om de godheid zelf aan te duiden; later, in het Gnosticisme werd met de term gedoeld op alle dingen tezamen die uit de godheid voortkwamen.

Paulus bedoelt er dus mee te zeggen dat het Gods raadsbesluit was om zijn gehele goddelijke volheid eveneens in de Zoon van zijn liefde te laten wonen.
Bij het prilste begin, toen Hij die Zoon voortbracht - de Amen, de Getuige die getrouw en waarachtig is, het begin van de schepping Gods (Op 3:14) - verwezenlijkte hij dat zeer gewichtige onderdeel van zijn voornemen; de Vader maakte de Zoon werkelijk tot zijn Evenbeeld. Daarom ook was deze - 
een enigverwekte god, verblijvend in de boezem van de Vader - uitstekend in staat de Vader aan ons te verklaren (Jh 1:18).
Terwijl hier (in vers 19) de genitief [
της θεοτητος] ontbreekt, zal Paulus in 2:9 met betrekking tot de Zoon ronduit schrijven: Omdat in hem heel de volheid der Godheid lichamelijk woont.
Op grond hiervan is de Zoon in Gods raadsbesluit opnieuw de persoon die de nieuwe schepping tot bestaan brengt:
- in deze wereldperiode zijn Gemeentelichaam;
- vervolgens, bij de overgang naar het Millennium, de aardse, joodse gemeente, bestaande uit de 'Millenniumheiligen' (Ez 36:24-28Dn 7:27Op 20:9);
- en tenslotte, gedurende de gehele duizend jaar, de 
εθνη, Heidenen (Op 20:3812-13).

Dat de tenuitvoerlegging van de nieuwe schepping eveneens aan de Zoon is toevertrouwd, hoeft ons niet te bevreemden, aangezien al het geschapene van meet af voor hem als erfdeel bestemd was. Alle dingen zijn immers ook tot hem, [of: voor hem] geschapen (vers 16).
Maar ook in dit geval moest God, in eigen Persoon, toch zelf de basis daarvoor verschaffen, en dat heeft Hij ook gedaan. Zoals hij in het begin de Zoon als evenbeeld tot bestaan bracht, bracht hij hem nogmaals tot leven toen hij hem in 33 AD uit de doden opwekte.

Aldus kon hij, als 
eerstgeborene uit de doden, opnieuw oorsprong worden, mede doordat hij zijn eigen volmaakt menselijk leven ten behoeve van de mensheid ten offer had gebracht. Want de nieuwe schepping berust op die grondslag; ze kan slechts tot stand komen doordat de last der zonden van de mensheid wordt weggenomen.
De Zoon heeft dat gedaan door zelf - eveneens in Gods raadsbesluit - voor ons tot zonde te worden; dat wil zeggen plaatsvervangend voor ons voor de zonde te betalen (sterven):

Want
 de liefde van de Messias dringt ons, daar wij tot dit oordeel kwamen dat één voor allen stierf. Allen stierven dus. En hij stierf voor allen, opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor hen stierf en werd opgewekt. Bijgevolg kennen wij van nu af niemand naar vlees; zelfs indien wij [de] Messias naar vlees gekend hebben, kennen wij [hem] nu toch niet meer. Nu dan, indien iemand in [de] Messias [is], [is hij] een nieuwe schepping. De dingen van oudsher gingen voorbij; zie, nieuwe dingen ontstonden. Maar alle dingen [zijn] uit God die ons met zichzelf verzoende door [de] Messias, en die ons de bediening der verzoening gaf.
God was namelijk in [de] Messias bezig een wereld [van mensen] met zichzelf te verzoenen - door hen hun overtredingen niet toe te rekenen - en die in ons het woord der verzoening legde. Wij treden dan op als gezanten namens [de] Messias, alsof God door ons een dringend verzoek doet. Namens [de] Messias smeken wij: Wordt met God verzoend. Hem die geen zonde kende, maakte hij voor ons tot zonde, opdat wij Gods rechtvaardigheid zouden worden in hem (2Ko 5:14-21).

In vers 20 van Ks 1 gebruikt de apostel voor verzoenen niet het gebruikelijke werkwoord 
καταλλασσω, zoals hierboven in 2Ko 5, maar αποκαταλλασσω, wat duidt op volledige verzoening. Blijkbaar heeft dit te maken met het feit dat het in dit vers om meer gaat dan de mensheid alleen (de dingen op de aarde). God moet zich verzoenen met het gehele universum, dus ook met de bovenaardse schepselen, de engelen.
Dit punt levert echter bij sommigen een probleem op: Hebben engelen dan het zondeverzoenend offer van de Messias nodig?

Het antwoord luidt: Nee; dat is niet het geval. Want de Nefilim, de van God afgevallen engelen, ontvangen geen gelegenheid om tot een herstelde verhouding met God terug te keren; zij worden juist voor een definitief oordeel, d.i. absolute ondergang, bewaard (2Pt 2:4Jd 6). En de uitverkoren engelen hebben vanzelfsprekend geen zondenverzoenend offer nodig (1Tm 5:21).
De oplossing van het probleem ligt in de toevoeging dat God op basis van Jezus’ offer - 
het bloed van zijn martelpaal- ook vrede gemaakt heeft.
We citeren voor alle duidelijkheid: 

Vrede gemaakt hebbend door het bloed van zijn martelpaal.

Die vrede valt in eerste instantie gelovige mensen op aarde ten deel, allen die voor blijvend leven op de kracht van het loskoopoffer steunen. Dat bedoelden ook de engelen die bij Jezus’ geboorte zongen: 
Heerlijkheid in de hoogste[sferen] aan God, en op aarde vrede, onder mensen van welbehagen (Lk 2:13-14).
De engelen begrijpen van welk een grote betekenis voor het mensdom de geboorte in Bethlehem was. Daarmee brak het Messiaanse tijdperk aan waardoor een beslissende wending kon worden gegeven aan de situatie van de zuchtende en pijnlijdende schepping. God, de grote Initiator van de 'reddingsactie', moest daarvoor lof worden toegezwaaid (Rm 8:18-22).

Maar die vrede strekt zich verder uit, ook tot 
de dingen in de hemelen.
Wij kunnen dat beter begrijpen door ons te realiseren dat in zeker opzicht alle met intelligentie begiftigde wezens, ongeacht of zij in de hemel dan wel op aarde hun woonplaats hebben, in dezelfde verhouding tot God staan. De (volledige) verzoening moet dan ook gedacht worden tussen God enerzijds en de met verstand begiftigde schepselen anderzijds.

Toen door de menselijke zonde dan ook de relatie met God werd verstoord, raakten ook de hemelingen daarbij betrokken. Daarnaast moet niet vergeten worden dat opstand in het universum in eerste instantie in de hemelsferen uitbrak; Satan keerde zich als eerste tegen God, maar in de lange periode van 120 jaar, voorafgaande aan de Vloed, kreeg hij bijval van (blijkbaar) een enorm aantal Nefilim.
Dat daardoor de relatie onder de engelen danig verstoord werd, kan ondermeer afgeleid worden uit het Boek Daniël. Satans geestenvorsten die de wereldmachten domineren verkeren in een conflictsituatie met de engelen van Michaël (Dn 10). 

Zie: Michaël, de aartsengel, in conflict met Satans Rijk
Deze zaken in aanmerking nemend kunnen we begrijpen:
a.
 Waarom ook de engelen die verzinnebeeld worden door de vier Levende wezens, zich, tezamen met alle overige engelen, verenigen met de Oudsten - de voltallige christelijke Gemeente - in een dankbare lofzang, gericht tot het geslachte Lam:
En ik zag en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon en de Levende wezens en de Oudsten, en hun aantal was myriaden van myriaden en duizenden van duizenden, zeggend met een luide stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging te ontvangen. En al het geschapene dat in de hemel en op de aarde en beneden de aarde en op de zee is, en alle dingen in hen, hoorde ik zeggen: Aan Hem die op de troon is gezeten en aan het Lam [zij] de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. En de vier Levende wezens zeiden: Amen; en de Oudsten vielen neer en brachten hulde.(Op 5:11-14)

b. Waarom de Zoon, na zijn opstanding 'predikte' tot de Nefilim in hun door God opgesloten toestand:
Daar ook [de] Messias eens voor altijd betreffende zonden is gestorven, een rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat hij jullie tot God zou leiden; weliswaar ter dood gebracht in vlees maar levend gemaakt in geest, waarin hij ook, nadat hij was heengegaan, heeft gepredikt tot de geesten in verzekerde bewaring, die eens ongehoorzaam waren toen de lankmoedigheid van God ten einde toe afwachtte in Noachs dagen, terwijl men bezig was een ark in gereedheid te brengen waarin weinigen - dat is acht zielen - er veilig doorheen werden gebracht door water.
(1Pt 3:18-20)

Die geesten in verzekerde bewaring, de Nefilim, hadden in grote mate bijgedragen tot de verstoring der vrede tussen het geschapene enerzijds en God anderzijds. In de voor de Zoon bestemde schepping, zijn erfdeel, was grote wanorde gaan heersen. Vandaar dat juist hij, de Zoon, nadat hij door het offer van zijn leven de basis voor het herstel van universele vrede had gelegd, bij uitstek de aangewezen persoon was om daarvan kond te doen aan die gevallen engelen. Zij moesten ervan in kennis worden gesteld dat al hun boosaardige bedoelingen op niets waren uitgelopen en dat hun bijgevolg nog slechts ondergang wacht. Vergelijk Jk 2:19.

c. Waarom de Zoon in alle dingen de voorrang heeft, ja, moet hebben.
Het werkwoord 
πρωτευω betekent letterlijk eerste zijn; de eerste plaats innemen.In vers 18 verbindt de apostel die gedachte immers met Jezus’ opstanding uit de doden, de noodzakelijke herschepping door God van zijn Zoon opdat deze, op zijn beurt, als Hoofd van de Gemeente zou kunnen functioneren, maar dan vooral in de betekenis van de bron, of het beginsel van geestelijke levenskracht voor de leden van die Gemeente, zijn Lichaam, zodat zij tezamen met hem tot een nieuwe schepping kunnen worden. Zoals de apostel al eerder schreef, in 1Ko 15:45, dat Jezus na zijn opstanding een levendmakende geest werd.Vergelijk ook Ef 4:13-16.

In Rm 8:29 heeft Paulus Gods bedoeling in deze aldus verwoord:

Hen
 die hij tevoren kende, bestemde hij ook tevoren [tot] gelijke gedaante van het beeld van zijn Zoon, opdat hij eerstgeborene onder vele broeders zou zijn.
Pas bij de Opname wordt die doelstelling volledig verwezenlijkt. Onze Heer 
die het lichaam van onze vernedering van gedaante zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking dat hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.Fp 3:20-21 )
Vergelijk 1Ko 15:51-52.
Kαι υμας ποτε οντας απηλλοτριωμενους και εχθρους τη διανοια εν τοις εργοις τοις πονηροις, νυνι δεαποκατηλλαξεν εν τω σωματι της σαρκος αυτου δια του θανατουπαραστησαι υμας αγιους και αμωμους καιανεγκλητους κατενωπιον αυτουει γε επιμενετε τη πιστει τεθεμελιωμενοι και εδραιοι και μη μετακινουμενοι αποτης ελπιδος του ευαγγελιου ου ηκουσατετου κηρυχθεντος εν παση κτισει τη υπο τον ουρανονου εγενομην εγωΠαυλος διακονος.
21-23
 En jullie, die eens vervreemd waren en vijandiggezind in jullie goddeloze werken, heeft hij nu echter geheel verzoend in het lichaam van zijn vlees door de dood, om jullie heilig en onberispelijk en vrij van beschuldiging voor zijn aangezicht te stellen. Indien jullie tenminste blijven in het geloof, gegrondvest zijnde en vast, en je niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie waarvan jullie gehoord hebben, dat gepredikt werd in heel de schepping onder de hemel, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Paulus richt alle aandacht wederom op de Zoon, de Messias, die in Gods raadsbesluit in alle dingen de eerste plaats inneemt; hij die 
oorsprong is en daarom na zijn opstanding uit de doden als Hoofd van de Gemeente kon beginnen met het voortbrengen van alle andere leden van de nieuwe schepping, daarbij het patroon volgend van de oorspronkelijke schepping: allereerst in de hemelsferen zijn Gemeentelichaam, en vervolgens ook - wanneer de volheid der Heidenen is ingegaan - het aardse deel van het Israël Gods (Rm 11:25Gl 6:15-16).

Ook keert hij terug tot de actuele situatie van de gelovigen in Kolosse en tot het motief dat hem vooral drijft deze Brief aan hen te schrijven.
Zeker, in het verleden, toen zij zich nog in het duistere machtsgebied van het Hellenistische Heidendom ophielden, waren zij geheel vervreemd van God ( Ef 2:11-13 )
De apostel gebruikt een werkwoord dat afgeleid is van 
αλλοτριος, dat letterlijk betekent een ander toebehorend, een term daarom die levendig de staat van het Heidendom tekent in haar vervreemding van de (ware) God (Ef 4:18).

In die toestand behoren de mensen van het Heidendom een ander toe, namelijk Satan, de concurrerende 
god van deze eeuw. Binnen zijn machtsgebied van duisternis opereren achter de schermen van onzichtbaarheid de demonen als de wereldheersers. Onder hun boosaardige invloed komen veel mensen ertoe een vijandige gezindheid jegens God te koesteren, wat niet zelden tot uitdrukking komt in het begaan van slechte, ja, zelfs goddeloze daden.
Zie: Rm 1:18-322Ko 4:4Ef 6:121Jh 5:19.

Welnu, die miserabele situatie hebben de lezers achter zich gelaten. Door de Evangelieprediking van Epafras hebben zij Gods roepstem vernomen. En zoals het geval was in de prediking van Paulus te Korinthe, zette de heilige geest ook Epafras’ gesproken boodschap kracht bij door op de luisterende Kolossenzen een onweerstaanbare invloed uit te oefenen, maar dan uiteraard een zeer heilzame, zodat zij gehoor gaven aan de roeping en geloof tot uitdrukking gingen brengen. Vergelijk 1Ko 2:1-5
Aldus gingen zij tot het Lichaam van de Messias behoren en werden zij door zijn tussenkomst geheel met God verzoend, krachtens diens offerdood. De apostel omschrijft Jezus’ offerdood in enigszins gecompliceerde termen: De Kolossenzen werden verzoend in het lichaam van zijn vlees door de dood. Kennelijk drukte Paulus zich bewust aldus uit met het oog op degenen onder hen die valselijk de leer verspreidden dat ook de engelen een zekere betrokkenheid cq invloed hadden bij hun verlossing en verzoening met God.
Christenen hebben hun redding echter geheel en al te danken aan Jezus’ zondenverzoenend slachtoffer; op zijn beurt kan hij ons daarom voor zijn aangezicht stellen, heilig, onberispelijk en vrij van schuld.
In Ef 5:25-27 lezen we daarover in vrijwel identieke bewoordingen wanneer Paulus zich tot de manlijke leden van het Gemeentelichaam richt:

De
 mannen: hebt de vrouwen lief, gelijk ook de Messias de Gemeente liefhad en zichzelf voor haar overgaf, opdat hij haar zou heiligen, gereinigd hebbend met het bad des waters krachtens [het] woord, opdat hij de Gemeente naast zichzelf zou stellen, glorierijk, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbend, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.
Door zijn offerdood heeft Jezus zijn Gemeente geheiligd, d.i. afgezonderd van de profane, zondige wereld. Maar in de Efezebrief plaatst de apostel een en ander binnen de geestelijke huwelijksverhouding die in Gods voornemen tussen de Messias en zijn Gemeente tot stand komt. 
In die huwelijksrelatie gaat God namelijk zijn grootse plannen die hij reeds bij de schepping van het eerste mensenpaar ontvouwde, uiteindelijk verwezenlijken: het voortbrengen van een gezonde mensenwereld. Vandaar dat Jezus, de Bruidegom, er veel aan gelegen is zijn Bruidsgemeente glorierijk voor zich te stellen: heilig, onberispelijk, vrij van beschuldiging.

Maar dan is het voor de gelovige Kolossenzen wel zaak de valse leraren die hen vreemde leringen willen opdringen, vastberaden te weerstaan.
Zij hebben immers geen nieuw fundament nodig, aangezien zij in Messias Jezus reeds stevig gegrondvest zijn.
Werkelijk, 
niemand kan een ander [deugdelijk] fundament leggen buiten wat gelegd is, hetwelk is Jezus Messias(1Ko 3:11).
Vergelijk ook Ef 2:19-22.

Zij, eens veraf, zijn reeds in het bloed van de Messias dichtbij gekomen (Ef 2:13). De Vader heeft hen reeds geschikt gemaakt om deel te hebben aan het erfgoed van de heiligen in het licht. Want hij heeft hen reeds ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde.
Conclusie: Houdt de valse leraren die jullie van je geloof en hoop willen beroven op afstand, buiten de deur! Het onvervalste Evangelie dat zij door Epafras hebben ontvangen stemt volledig overeen met dat van de apostel die daarvan in eerste instantie een dienaar werd, vooroplopend in een wereldwijde prediking.
2. Paulus’ dienst en strijd (1:24 – 2:3)
Νυν χαιρω εν τοις παθημασιν υπερ υμωνκαι ανταναπληρω τα υστερηματα των θλιψεων του Χριστου εν τη σαρκιμου υπερ του σωματος αυτουο εστιν η εκκλησιαης εγενομην εγω διακονος κατα την οικονομιαν του θεου τηνδοθεισαν μοι εις υμας πληρωσαι τον λογον του θεου,
24-25
 Nu verheug ik mij in al het lijden voor jullie en ik vul plaatsvervangend in mijn vlees aan wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van de Messias ten behoeve van zijn Lichaam, dat is de Gemeente, waarvan ik een dienaar ben geworden overeenkomstig het beheer van God dat mij gegeven werd met het oog op jullie, om het woord Gods te volvoeren:
De apostel heeft een heel aparte kijk op zijn gevangenschap in Rome.
In de vorige drie verzen (21-23) was de toon naar zijn lezers toe al zeer persoonlijk geworden, maar nu laat hij hen weten dat hij nog steeds het Evangelie dient (v 23), en wel - heel bijzonder - in al de dingen die hij voor hen lijdt.
Weliswaar kan hij niet persoonlijk bij hen zijn om de details van de christelijke boodschap van aangezicht tot aangezicht met hen uit te wisselen. Niettemin stelt de gedwongen rust van zijn huisarrest hem wél in de gelegenheid de christelijke waarheden grondig te overdenken en de grote geestelijke rijkdom ervan door middel van brieven met hen te delen.
Om die reden strekt zijn toestand van gevangenschap hun toch tot voordeel. In de Messias is hij in een geestelijke gemeenschap met hen verbonden; niet alleen met hen maar ook met het gehele Gemeentelichaam.

Maar wat bedoelt hij met 
en ik vul plaatsvervangend in mijn vlees aan wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van de Messias ten behoeve van zijn Lichaam, dat is de Gemeente ?
In ieder geval niet, wat sommigen hebben geopperd, dat de verzoenende kracht van het  lijden en de dood van de Messias aangevuld zou moeten worden.
In al zijn Brieven beschouwt Paulus de verlossing van de zonden door Jezus als voltooid. In hem bezitten wij de volledige verlossing en de vergeving der zonden (vers 14).

De apostel heeft het trouwens niet over het lijden voor de zonde, maar over de verdrukkingen die hij als dienaar van de Messias verduurt bij het brengen van het Evangelie.
Toen Jezus op aarde was ervoer ook deze veel vijandigheid, vooral van de eigen, joodse zijde. Bij de prediking van het koninkrijk Gods kreeg hij te maken met de intense tegenstand en haat der religieuze elite. Daardoor ondervond hij verdrukkingen, zeker; maar toen de Gemeente gesticht werd op de Pinksterdag was hijzelf inmiddels naar de hemel teruggekeerd; nu zouden zijn apostelen en overige volgelingen doelwit van de demonenwereld worden. 
Niet voor niets zei hij op de avond voor zijn dood tot zijn leerlingen: In de wereld hebben jullie verdrukking, maar schept moed, ik heb de wereld overwonnen (Jh 16:33).

Vooral de apostel der Heidenen, Paulus, zou in het roepen van de leden van het Lichaam veel moeten verduren. Dat kreeg hij reeds bij zijn eigen roeping en bekering, bij monde van Ananias, van de Heer zelf te verstaan:
Ga heen, want deze is mij een uitverkoren vat om mijn naam uit te dragen, zowel voor het aangezicht der Heidenen alsook van koningen als van de zonen Israëls. Want ik zal hem duidelijk laten zien wat hij allemaal om mijn naam moet lijden.(Hn 9:15-16).

En dat bleek een waar woord te zijn, zoals in 2Ko 11:21-29 te lezen valt. Op die wijze vulde juist hij plaatsvervangend aan wat nog ontbrak aan de verdrukkingen van de Messias ten behoeve van zijn Lichaam, de Gemeente. Hij was immers het 
uitverkoren vat van Messias Jezus; of - zoals hijzelf hier schrijft aan de Kolossenzen - vanwege het beheer van God dat mij gegeven werd met het oog op jullie, om het woord Gods te volvoeren.In de Parallelbrief Efeze schreef hij ook over dat beheer (oikonomia):
Indien jullie tenminste hebben gehoord van het beheer van de liefderijke gunst Gods, welke mij met het oog op jullie gegeven werd; dat mij langs de weg van openbaring het geheimenis werd bekendgemaakt… Aan mij, de allerminste van alle heiligen, werd deze liefderijke gunst gegeven om aan de Heidenvolken de onnaspeurlijke rijkdom van de Messias als goede tijdingen te verkondigen, en voor allen aan het licht te brengen wat het beheer[inhoudt] van het geheimenis dat sinds de eeuwen verborgen was in de God die alle dingen heeft geschapen.(Ef 3:2-3, 8-9)

Met oikonomia doelt Paulus op zijn activiteiten binnen 
het huisgezin van God, waar hij in het bijzonder ten bate van de Heidengelovigen een goddelijke toewijzing ontving. Door zijn beheer moeten dezen, die eens zo veraf waren, de liefderijke gunst van God ervaren, het gehele 'pakket' van zegeningen die God al vanaf eeuwigheid voor hen in petto had. Aldus volvoert hij het woord Gods dienaangaande (Ef 1:3-52:13, 19).
Om het woord Gods te volvoeren…
Ook hiermee zinspeelt de apostel op zijn bijzondere toewijzing.
Toen hij in het vlees verkeerde, maakte Jezus, zoals hierboven vermeld, aan zijn eigen volk de waarheden omtrent het koninkrijk Gods bekend. Door het verrichten van wonderen zette hij die prediking niet alleen kracht bij, maar verschafte hij ook in diverse opzichten een voorglimp van die toekomstige Messiaanse heerschappij.
Door die bediening vervulde hij bepaalde beloften die God aan de joodse voorvaders had gedaan:

Want
 ik zeg dat [de] Messias een dienaar van de besnijdenis is geworden terwille van Gods waarheid, om de beloften van de vaderen kracht bij te zetten.(Rm 15:8)

Maar wat hij, de Messias, toen niet deed was het verkondigen van de grote waarheden omtrent zichzelf als hij naar de hemel teruggekeerd zou zijn, noch die omtrent de Gemeente, zijn Lichaam, waarvan hij in de nieuwe schepping oorsprong zou worden. Hooguit heeft hij in bedekte termen daarop gezinspeeld, zoals in Mt 16:18-19, maar de onthulling van die nieuwe waarheden heeft hij aan zijn dienaar Paulus overgelaten. Deze zou het Woord Gods dienaangaande vol maken, volvoeren. Maar dat zou ook in zijn geval met veel verdrukkingen en strijd gepaard gaan. In die zin vulde hij aan wat aan Jezus’ verdrukkingen nog ontbrak.
το μυστηριον το αποκεκρυμμενον απο των αιωνων και απο των γενεων – νυν δε εφανερωθη τοις αγιοις αυτουοιςηθελησεν ο θεος γνωρισαι τι το πλουτος της δοξης του μυστηριου τουτου εν τοις εθνεσινο εστιν Χριστος εν υμιν,η ελπις της δοξης·
26-27
 het geheimenis dat vanaf de eeuwen en vanaf de geslachten grondig verborgen was, maar nu openbaar gemaakt werd aan zijn heiligen, aan wie God wilde bekendmaken wat de rijkdom der heerlijkheid van dit geheimenis is onder de Heidenen, hetwelk is [de] Messias in jullie, de hoop der heerlijkheid;
De strekking komt overeen met het citaat uit Efeziërs, hoofdstuk 3, zoals hierboven werd weergegeven.
 Het geheimenis omtrent de Gemeente bleef eeuwenlang verborgen. Het behoorde tot het raadsbesluit van God dat niet door menselijk vernuft achterhaald kon worden. Wereldtijdperken en talloze generaties gingen voorbij voordat het God goeddacht het mysterie aan zijn heiligen bekend te maken.
Aangezien hij de dwaalleraren op hun eigen terrein en met hun eigen wapens bestrijdt, lijkt het waarschijnlijk dat de apostel ook hier het mysterie van God plaatst tegenover de mysteriën van het Heidendom welke alleen aan ingewijden bekend mochten worden.

Eerder, in de inleiding, stelden we vast dat er in de Kolossenzenbrief - wat de behandelde thematiek betreft - grote overeenkomsten met de Efezebrief geconstateerd kunnen worden. In beide wordt breed uitgeweid over het mysterie, het geheimenis van het Gemeentelichaam, waarvan de Messias het Hoofd en christenen de afzonderlijke leden zijn. Maar terwijl in Efeze 3:6 van het mysterie wordt gezegd 
dat de Heidenen mede-erfgenamen zijn en medelichaam en mededeelgenoten van de belofte in Messias Jezus, leert Paulus ons hier dat Messias Jezus zélf het mysterie is: de Messias in jullie, de hoop der heerlijkheid.

Principieel is er geen sprake van een leerstellig verschil, maar veeleer van een verschuiving in het leggen van de accenten.
Terwijl in de Efezebrief vrijwel alle nadruk ligt op het Lichaam met zijn ledematen, bestaande uit Joden en Heidenen (Ef 2:14-18) vestigt Paulus in Kolossenzen bij voorkeur de aandacht op het Hoofd, aangezien hij in zijn polemiek jegensde dwaalleraren er op uit is de superioriteit van de Zoon aan te tonen.
ον ημεις καταγγελλομεν νουθετουντες παντα ανθρωπον και διδασκοντες παντα ανθρωπον εν παση σοφιαιναπαραστησωμεν παντα ανθρωπον τελειον εν Χριστω· εις ο και κοπιω αγωνιζομενος κατα την ενεργειαν αυτου τηνενεργουμενην εν εμοι εν δυναμει

28-29
 die wij verkondigen, elk mens vermanend en elk mens onderwijzend in alle wijsheid, opdat wij elk mens volledig [ingewijd] in [de] Messias zouden stellen; waarvoor ik ook arbeid, strijdend overeenkomstig zijn werking die in mij werkt met kracht.
In zijn toewijzing van beheerder verkondigt Paulus de Messias, de centrale figuur in het geheimenis Gods. Daartoe vermaant en onderwijst hij in alle wijsheid degenen die in geloof op de prediking reageren, daarmee gehoor gevend aan hun roeping.
Het doel van de apostel in zijn opvoedkundig werk is dat zijn medeleden 
τελειος bereiken, d.i. letterlijk naar het Grieks: volkomen, volledig, volmaakt, volwassen, rijp.
In dit geval volmaaktheid, volwassenheid in de Messias; of, om het weer in de termen van de aanhangers der heidense mysteriën uit te drukken, volledig ingewijd in de bovennatuurlijke waarheden omtrent het Messiasgeheim, aangezien alleen de ingewijden als volmaakte mensen golden.
Door tot driemaal toe melding te maken van 
elk mens, wijst Paulus op het algemene karakter van zijn beheer onder de Heidenen; geen mens is bij voorbaat uitgesloten, wat wél geleerd werd door Paulus’ opponenten die intellectuele exclusiviteit onderwezen.



Waarvoor ik ook arbeid, strijdend…De gebruikte werkwoorden tekenen zijn afmattende arbeid en de problemen die overwonnen moesten worden. Kοπιωαγωνιζομενος duidt op hard werken, ja, zwoegen, zoals een atleet die kampt (worstelt) in de Spelen. Maar in zijn verbondenheid met de Messias die hem kracht verleende, was hij in staat zijn beheerderstaak te volbrengen.



Geen opmerkingen: