Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

dinsdag 4 december 2012

De Geliefden in het Subliemste Lied







Met het Subliemste Lied doelen we op het boek dat in de Hollandse Bijbelvertalingen bekend staat als Hooglied.
In vers 1 lezen we echter: 

Het Lied der liederen welke [is] voor Sjeloomooh [Salomo]. 

De geïnspireerde auteur gaf daarmee te kennen dat het in Hooglied om het meest voortreffelijke lied gaat; het Subliemste Lied derhalve. Het werd samengesteld ten behoeve van koning Salomo.
Daarmee wordt niet gesuggereerd dat Salomo ook één van de twee Geliefden in het Lied voorstelt. Integendeel; in het Lied der liederen is Salomo de rol van de grote Verleider toebedeeld. Hij wil het meisje uit het dorp Sulem slechts aan zijn uitgebreide harem toevoegen. Voor het moment is zij slechts één van zijn nieuwe liefdes, hoewel hij vleiend anders beweert: 

Ook al zijn er zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen, meisjes zonder tal; één is er die mijn duif is, mijn volmaakte.
(6:8-9) 

Nee, het meisje heeft maar aan één man haar hart verpand: haar geliefde herder: 

Vertel mij toch, mijn zielsbeminde, waar je weidt, waar je op de middag [de kudde] doet neerliggen.
(1:7)
Mijn beminde van mij en ik van hem. Hij weidt tussen de lelies.
(2:16)
Mijn beminde is afgedaald naar zijn tuin, naar de bedden van balsemspecerijen, om te weiden in de tuinen, en om lelies te plukken. Ik van mijn beminde, en mijn beminde van mij. Hij weidt tussen de lelies.
(6:2-3) 

Ooit is het verhaal van de Sulammitische en haar herder als volgt kernachtig samengevat:

Een onwankelbare liefde tussen een man en een vrouw is mooi. Wanneer die liefde bovendien blijft bestaan ondanks grote druk die door derden wordt uitgeoefend om scheiding tussen de geliefden teweeg te brengen, kunnen zij die dat gadeslaan er echt door geroerd worden.
Iets dergelijks is aan de orde in het Hooglied.
Een eenvoudig plattelandsmeisje uit het dorpje Sulem wordt verliefd op een knappe herder. In een poging hun zuster voor verleiding te behoeden, verhinderen haar broers dat zij met haar geliefde op een prachtige lentedag een wandeling maakt. Zij dragen haar namelijk op de wijngaarden te beschermen tegen de vernielzucht van kleine vossen (1:6; 2:8-15).

Maar dan vindt er iets plaats waarmee zij geen rekening hadden gehouden: Koning Salomo slaat zijn kamp met veel pracht en praal op in de buurt waar de Sulammitische verblijft. Of hij haar zelf opmerkt of dat zijn dienaren hem op haar attent maken, is niet duidelijk. In ieder geval wordt zij wegens haar schoonheid in het kamp van de koning gebracht en begint hij haar het hof te maken (6:11-12; 1:2-4).

Ongetwijfeld zouden veel vrouwen in een dergelijke situatie geïmponeerd zijn en zich op z’n minst gevleid voelen. Zo niet de Sulammitische. Zij wankelt niet in haar liefde. Zonder zich te schamen, geeft zij zelfs dan uiting aan haar verlangen naar haar zielsbeminde, de herder.
Salomo is echter niet bereid haar te laten gaan en blijft haar overstelpen met liefdesbetuigingen. Ook zegt hij haar toe dat hij schitterende sieraden voor haar zal laten maken.
Maar de Sulammitische is niet onder de indruk; zij blijft spreken van haar liefde voor de herder.
Later heeft zij een ontmoeting met hem en beiden genieten van elkaars liefkozende woorden (1:7-17; 2:1-2).

Wanneer koning Salomo naar Jeruzalem terugkeert, neemt hij het meisje mee. Maar ook in de stad vindt de herder een manier om haar te ontmoeten (3:6-11; 4:1-5).
Nadat al Salomo’s pogingen om de liefde van de Sulammitische te winnen, op niets zijn uitgelopen, laat hij haar tenslotte gaan (8:5). 

Velen die het liefdesverhaal hebben bestudeerd zijn van mening dat er achter de 'story' een ander, veel groter Verhaal, verborgen zit; dat er dus sprake is van een allegorische toepassing.
Wij delen die mening. Alleen reeds het feit dat er in het Verhaal zo’n machtig figuur als koning Salomo verschijnt, maakt het Hooglied tot veel meer dan een simpel liefdesverhaal tussen een man en een vrouw van het boerenland.
Hoe zou men, om maar iets te noemen, anders de onverwachte overgangen kunnen verklaren waarvan in het verslag sprake is: het meisje dat aan het koninklijk hof wordt vastgehouden, bevindt zich plotseling ook bij haar herder. 

In veel commentaren spreekt men te gemakkelijk over het liefdespaar van Hooglied of daarmee Jezus en zijn gemeente bedoeld zouden zijn.
Waarschijnlijk houdt een en ander verband met het feit dat eeuwenlang binnen de Christenheid de vervangingsleer is aangehangen. Alle geestelijke goederen die het oude Godsvolk Israël toebehoorden, zouden met hun verwerping van Jezus als de Messias, overgegaan zijn op de christelijke Gemeente. 
Een kwalijke dwaling waarvan steeds meer exegeten zich (terecht) distantiëren


Om tot een verantwoorde uitleg te komen moeten wij ons de volgende zaken realiseren: 

a) Het Verhaal focust zich naast het plattelandsmeisje vooral op koning Salomo. Niet voor niets lezen we in de inleiding dat het Lied der liederenmet het oog op Salomo is geschreven. Hij verschijnt in het Verhaal als de grote Verleider die de liefdesrelatie tussen het meisje en haar herder bedreigt.
Wanneer hij in die hoedanigheid in beeld komt (vanaf 3:6) vestigen de hofdames van Jeruzalem vooral onze aandacht op de draagkoets die koning Salomo zich liet maken van bomen van de Libanon (3:9). 

De GW (getalswaarde) van draagkoets is 347.
Maar dat is precies dezelfde waarde van de koning met bars gelaat die in Daniël 11 de rol van de koning van het Noorden zal vervullen (Dn 11:36-45).
Maar die koning verschijnt al in Daniël, hoofdstuk 8 : 

En in het laatst van hun koninkrijk, naarmate de overtreders hun daden tot voltooiing brengen, zal er een koning opstaan met bars gelaaten die dubbelzinnige gezegden verstaat.  

Let op: Die koning is uiterst slim [of beter: geslepen].
Hij verstaat "raadselachtige gezegden".
En daarin was koning Salomo nu juist ook erg goed.
Zie: 1 Koningen 10:1

Allegorisch toegepast: de Antimessias die in de eindtijd het gelovige joodse Overblijfsel zal trachten te verleiden. Vergelijk Mt 24:23-26.
Het verhaal over de Sulammitische - die in haar getrouwheid jegens haar bruidegom door koning Salomo op de proef wordt gesteld  - verschaft ons een voorglimp van de situatie die in de 70e Jaarweek zal ontstaan, wanneer alle aandacht van de hemel weer uitgaat naar Gods uitverkoren volk Israël. Voor die toepassing menen wij nog een andere reden te hebben:  

b) Er is in het verhaal een duidelijke relatie met twee andere bijbelboeken, t.w. Hosea en Esther.

In hoofdstuk 2 van Hosea zien we profetisch dat Jahweh zijn huwelijksverbond met zijn volk Israël in de eindtijd herstelt:

En ik wil voor hen op die dag een verbond sluiten met de beesten van het veld en met de vogels des hemels en met het kruipend gedierte van de aardbodem, en boog en zwaard en oorlog zal ik uit het land verbreken, en ik wil hen veilig doen neerliggen.En ik zal mij aan u verloven voor altijd, mij aan u verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in liefderijke goedheid en in barmhartigheden.
En ik zal mij aan u verloven in getrouwheid
; en gij zult Jahweh kennen.
(Hs 2:18-20)

Het is duidelijk: Jahweh neemt zijn Vrouwgemeente Israël terug. Maar wanneer gaat dat gebeuren?
Dat moet zijn omstreeks de overgang naar het Millennium, gezien de paradijsbelofte van vers 18. De paradijsvrede zal hersteld worden. 

Bovendien belooft God dat hij zich in dit tweede geval aan Israël zal verloven voor altijd en dat zal doen in rechtvaardigheid, gerechtigheid, loyale liefde, barmhartigheden en getrouwheid. 
Die belofte wijst op een heel nieuwe grondslag. Trouwens, bij God voltrekken zich zulke zaken altijd op de juiste wettelijke basis. 

Het eerste huwelijksverbond - dat van de Sinaï - is door het ontrouwe gedrag van Israël verbroken. Er moet derhalve een Nieuw Verbond in het leven worden geroepen. Bovendien moet Israël worden teruggekocht. 
Denk aan Gomer. Nadat Jahweh tegen Hosea had gezegd:
 Ga nogmaals, bemin een vrouw die door een metgezel wordt bemind en overspel pleegt

lezen wij dat Hosea tot de volgende actie overging: Toen kocht ik mij haar voor 15 zilverstukken en 1 1/2 homermaat gerst. (Hs 3:1-2)

Om haar opnieuw als vrouw te kunnen bezitten, moest Hosea haar terugkopen omdat ze intussen een slavin was geworden. 
Hetzelfde geldt voor Israël. Ook met betrekking tot zijn Verbondsvolk is een 'transactie' nodig, een wettelijke basis op grond waarvan Jahweh zich weer met zijn Vrouwgemeente kan inlaten. 

De bijbel laat zien dat het Nieuwe Verbond in die noodzakelijke grondslag voorziet. 
Zelfs Hosea 2:20 zinspeelt reeds op het Nieuwe Verbond door te vermelden wat er van de zijde van het volk mag worden verwacht: 
En gij zult Jahweh stellig kennen, een welbekende conditie van dat Verbond.
Zie Jr 31:31-34. 

Zoals er nog perspectief was voor Gomer na haar terugkoop, zo ook voor Israël. 
Maar met betrekking tot Gomer stelde Hosea wel restricties vast:

En ik zeg tot haar: Vele dagen zul je bij mij zitten, zonder te hoereren of aan een man toe te behoren. En zo zal ik tegenover jou zijn.
(Hs 3:3)

Tot aan haar verbetering, zou Gomer dus lange tijd, "vele dagen", bij Hosea moeten wonen, maar in afzondering, zodat elke omgang met andere mannen onmogelijk zou zijn. En letterlijk voegt Hosea er aan toe: "En ik ook aan u", wat wil zeggen: "Evenals gij in uw afzondering mij zult blijven toebehoren, zo blijf ik u toebehoren".
Het symbolisme van dit alles wordt nader verklaard in de verzen 4 en 5.


Want de zonen van Israël zullen vele dagen zonder koning en zonder vorst en zonder slachtoffer en zonder zuil en zonder efod en terafim wonen. Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren en Jahweh hun God en David, hun koning, zoeken; en bevend zullen zij tot Jahweh en tot zijn goedheid komen, in het laatst der dagen.

Inderdaad, vele dagen - nu al ruim 19 eeuwen - leeft etnisch Israël zonder een staatkundig bestel en ook zonder godsdienstig leven in georganiseerde vorm zoals vroeger het geval was. De huidige Staat Israël welke in 1948 werd gesticht was slechts een menselijk initiatief, een politiek bestel dat op democratische wijze functioneert. Van theocratisch Bestuur is absoluut geen sprake!  

Aldus is haar op een wel heel effectieve wijze ontnomen wat haar voorheen tot afgodische kontakten met haar minnaars bracht. Als vrucht van deze afzondering moeten de Israëlieten tenslotte zover komen dat zij weer hun God Jahweh en hun ware Messias uit Davids koninklijke huis, Jezus, gaan zoeken. 

Maar nu de relatie met het Subliemste lied.
Het "meisje uit Sulem" wordt in Hl 2:2 door haar Bruidegom-herder aangeduid met Lelie, in het Hebreeuws Sjosjanah [de naam Suzanna schijnt daarvan afgeleid te zijn]:


Als een lelie [sjosjanah] tussen de doorns zo is mijn metgezellin onder de dochters. 

Hiermee wordt de situatie van het getrouwe joodse overblijfsel in de Eindtijd getekend. 
Het bevindt zich tussen doornig onkruid: de grote meerderheid der Joden die hardnekkig weerstand blijft bieden aan hun (ware) Messias Jezus.
In Js 66:5 is zelfs voorzegd dat het gelovige overblijfsel door die 'broeders' gehaat zal worden. 


De GW van Hl 2:2 is 2105, wat ook de GW is van Ps 116:3 

Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn.
(NBV) 

Van Psalm 116 wordt erkend dat het een danklied is aan God die zijn volk uit benauwdheid, verdrukking, ja, uit dreigende ondergang bevrijdde. De Psalm lijkt daarom profetisch vooruit te wijzen naar de Grote Verdrukking van de eindtijd. Kennelijk spreekt de Psalmist namens zijn volk (Israël).
In het Hooglied, Hl 5:7, had de Sjoelammieth precies die ervaring: 

De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan, zij sloegen mij, verwondden mij, zij rukten mij het overkleed af, de wachters der muren. 

Maar in Hosea, hoofdstuk 14, is Sjosjanah weer de Vrouw (Israël) die door Jahweh, haar Echtgenoot, geliefd wordt:

Ik zal hun afkerigheid genezen. Ik zal hen vrijwillig liefhebben, omdat mijn toorn zich van hen heeft afgewend. Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Het zal bloeien als een lelie [Sjosjanah] en zijn wortels uitslaan als de Libanon. (Hs 14:4:5) 

Merk op dat Jahweh voor zijn echtgenote Israël als de dauw zal worden. En dat is precies wat we ook in Hooglied terugvinden over de herder, de geliefde van het meisje:
In Hl 5:2 zegt hij tot zijn geliefde: 


Doe mij open, o mijn zuster, mijn metgezellin, mijn duif, mijn onberispelijke! Want mijn hoofd is vol van dauw, mijn haarlokken van de druppels van de nacht. 

Deze en andere aanwijzingen geven steeds weer te kennen dat het in Hooglied om de relatie Jahweh God en Israël gaat, de 'Vrouw' die tijdelijk door hem werd verstoten, maar welke hij met grote barmhartigheden weer zal terugnemen (Js 54:6-8). 

Wij beperken ons tot een enkel punt, hoewel een aandachtig lezer ongetwijfeld meerdere punten van overeenkomst met het Estherverhaal zal signaleren.

Sjosjanah in Hooglied 2:2 en Hosea 14:5, het Hebreeuwse woord voor lelie, heeft getalswaarde 661. Maar dat is ook de GW van Esther (1 + 60 + 400 + 200 = 661).
Natuurlijk helemaal niet toevallig! In beide gevallen gaat het om het joodse Overblijfsel van de eindtijd. 



Het grondwoord voor lelie is  שושן. In Hl 2:2 verschijnt de vrouwelijke vorm van het woord  שושן, dus met -ה. Maar in het Boek Esther is שושן ook geregeld het woord waarmee de Burcht Shushan wordt aangegeven, de winterresidentie van de Perzische koningen en de plaats waar het verhaal van Esther zich voornamelijk afspeelt.   



Wanneer men daarover verder wil lezen, verwijzen wij naar een onderdeel van de Studie Esther, zij die zich verborgen hield; met name het onderdeel: Koning Saul en Agag (Amalek)
 
Eén van de interessante zaken in Hooglied is het gegeven dat Sjosjanah in 6:13 weer anders wordt aangeduid: als de Sjoelammieth(Sulammitische) 

Kom terug, kom terug, o Sulammitische! Kom terug, kom terug, opdat wij u mogen aanschouwen!
Wat aanschouwen jullie in de Sulammitische?
Iets als de dans van twee kampen [Machanaaiem]!
(nwv) 

De Sulammitische heeft de waarde 791.
Van Sjosjanah (661) naar de Sjoelammieth (791) is dus een vermeerdering van 130.
En dat nu brengt ons naar Gn 28:12 en de ladder in de droom die Jakob had te Bethel; in het Hebreeuws: soellaam.
Ladder (soellaam) heeft namelijk de waarde 130, en alleen al de klank herinnert ons aan de Sjoelammieth.
Afgezien van de GW en de klank is er nog iets: 

Bethel, de plaats waar Jakob de bewuste droom had op zijn heenreis naar zijn familie in Charan (Mesopotamië), komt ook bij zijn terugkeer naar het land Kanaän weer in beeld. Maar bij die terugkeer was er op een zeker moment sprake van twee kampen, zijn eigen kamp en een hemels kamp van engelen.
Daarom gaf Jakob die plaats de naam Mahanaïm [Machanaaiem]. En dat is precies ook wat we in Hl 6:13 aantreffen: twee kampen(Machanaaiem).
Zie Gn 32:1 en 35:1, 5-15

In de Studie Op weg naar de Bruiloft (2) kunt u meer lezen over die terugkeer naar Bethel en de betekenis daarvan. Zie onder: II - 4 

Wat betekent het voorgaande?
Dat in 6:13 van het Hooglied de fase wordt bereikt waarin we het herstel zien van de relatie tussen het Overblijfsel en de hemel.
In de eindtijd krijgt een en ander zijn beslag doordat God zijn heilige geest op zijn volk uitstort, wat kenmerkend is voor het in werking komen van het Nieuwe Verbond: 

En daarna moet het geschieden dat ik mijn geest zal uitstorten op alle vlees, en jullie zonen en jullie dochters [van zijn volk Israël] zullen profeteren. Wat jullie oude mannen betreft, dromen zullen zij dromen. Wat jullie jonge mannen betreft, visioenen zullen zij zien. En zelfs op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal ik in die dagen mijn geest uitstorten.
En ik wil wondertekenen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zelf zal in duisternis worden veranderd en de maan in bloed, vóór de komst van de grote en vrees inboezemende dag van Jehovah.
[Het is dus een eindtijdgebeuren]
En het moet geschieden dat een ieder die de naam van Jehovah aanroept, veilig zal ontkomen; want op de berg Sion en in Jeruzalem zullen de ontkomenen blijken te zijn, juist zoals Jehovah heeft gezegd, en onder de overlevenden, die Jehovah roept.  
(Jl 2:28-32; ontleend aan de nwv) 

Zie tevens Jr 31:33, alsook Ez 36:24-28 en 37:23-28, om een indruk te krijgen van alles wat er plaats gaat vinden vlak voordat de aanval van Gog komt (Ezechiël, de hdst 38-39).



Op de helft van de 70ste Jaarweek wordt met Israël het huwelijksverbond vernieuwd.
Naar het zich laat aanzien breekt de Helft van die bijzondere ‘Week’ aan op 16 Augustus 2018, overeenkomend met 5 Elul 6026 AM.
In Hl 6:3 wordt die vernieuwing schitterend verwoord:

Ik ben van mijn beminde, en mijn beminde is van mij. Hij weidt tussen de lelies.

Maar het opmerkelijke in dit vers is tevens dat daarin wordt bevestigd dat de vernieuwing van dat Verbond inderdaad in de maand Elul zal plaats vinden. Elul verschijnt in dat vers namelijk in de vorm van een acrostichon. In die tekst verschijnen de vier letters op de Hebreeuwse wijze van rechts naar links, t.w. אלול  in het zinsdeel Ik ben van mijn beminde, en mijn beminde is van mij.   

Elul zouden we om die reden kunnen aanduiden als de referentiemaand van de Bruid, een tijd van intimiteit die in Hl 6:3 wordt ingezet door de Bruid, in tegenstelling tot Hl 2:16, waar de intimiteit eerder een initiatief is van de Bruidegom, blijkens de context Hl 2:10-14.
De maand Elul is om die reden een tijd van een speciale band tussen de goddelijke Bruidegom en Zijn bruid Israël.


Jahweh hernieuwt zijn verhouding tot het volk op grond van de superieure condities van het Nieuwe Verbond. Hun dwaling en zonde laat hij achter zich; die gedenkt hij niet langer. Integendeel, hij begunstigt hen met ongekende nieuwe gelegenheden (Jr 31:31-34). 

ZieThe Month of the Bride 

Wanneer we nu weer teruggaan naar Hooglied, zien we vanaf het punt dat de overgeblevenen van Israël geïdentificeerd worden met de Sjoelammieth, dat de grote Verleider Salomo met zijn gevlei niets meer tegen haar vermag. 
Op dat cruciale punt in haar leven wijst zij zijn hofmakerij met grote beslistheid van de hand. Vanaf 7:10 horen we haar danook zeggen: 

Ik ben van mijn Geliefde [punt uit, Salomo], en naar mij gaat zijn begeerte uit. 

De Sjoelammieth heeft haar besluit genomen en zij doet op de hofdames een laatste beroep haar niet te dwingen tot een liefde waarvoor zij niets voelt: 

Ik bezweer jullie, dochters van Jeruzalem: Waarom zouden jullie de liefde opwekken of aanwakkeren, totdat het [haar] behaagt?
(8:4) 

En direct daarop (in vers 5) volgt een prachtig tafereel. Haar broers die haar steeds maar kapittelden, zien haar naderen. Maar ze is niet alleen: 

Wie is deze die daar opkomt uit de wildernis, leunend op haar Geliefde? 

Weer zo’n bijzonder punt dat het Verhaal achter de 'story' tot een speciale ervaring maakt van het Overblijfsel in de eindtijd en van niemand anders.
We zijn namelijk weer terug bij Hosea en het wildernismotief. 

Gemakshalve verwijzen we naar de Studie:  Een hernieuwd huwelijksverbond in de wildernis
En dan onder Hosea 2, met name vanaf:
Hs 2:14-20
Daarom, zie! Ik overreed haar en breng haar in de wildernis en spreek tot haar hart. En ik wil haar van daaruit haar wijngaarden geven en het dal van Achor tot een poort der hoop; en zij zal daar volgzaam zijn als in de dagen van haar jeugd en als in de dag toen zij vanuit het land Egypte optrok. En het zal zijn op die dag, zegt Jahweh, dat gij zult roepen Isji [mijn echtgenoot] en gij zult mij niet meer noemen Baäli [mijn eigenaar].
Want ik verwijder de namen der Baäls uit haar mond, en zij zullen niet meer bij hun naam gedacht worden. En ik wil voor hen op die dag een verbond sluiten met de beesten van het veld en met de vogels des hemels en met het kruipend gedierte van de aardbodem, en boog en zwaard en oorlog zal ik uit het land verbreken, en ik wil hen veilig doen neerliggen. En ik zal mij aan u verloven voor altijd, mij aan u verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in liefderijke goedheid en in barmhartigheden. En ik zal mij aan u verloven in getrouwheid; en gij zult Jahweh kennen. 

Vandaar het slot in Hooglied: 

Leg mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm. Want de liefde is sterk als de dood; jaloezie even onverzettelijk als Sjeool. Vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen en rivieren spoelen haar niet weg. Haar gloed is als de gloed van vuur, de vlam van Jah.
Al gaf iemand al het bezit van zijn huis voor de liefde, men zou hem smadelijk verachten.
(8:6-7) 

Het wildernismotief is onverbrekelijk met Israël verbonden, vroeger maar ook in de toekomst. Zie ondermeer:
Ezechiël 20:34-38. 

Vooral laatstgenoemde schriftpassage sluit goed aan bij Hl 8:5 -  
Wie is deze die daar opkomt uit de wildernis, leunend op haar Geliefde? - 

En ik zal jullie uitleiden uit de volken en jullie bijeenbrengen uit de landen waarheen ik jullie met een krachtige hand en een uitgestrekte arm en met uitgestorte woede heb verstrooid. En ik zal jullie in de wildernis der volken brengen; dáár zal ik met jullie van aangezicht tot aangezicht in het gericht treden.
Zoals ik met jullie vaderen een geschil had in de wildernis van het land Egypte, zo zal ik met jullie een geschil hebben; aankondiging van Jahweh.
En ik zal jullie onder de staf doen doorgaan en jullie in de band van het Verbond brengen. En ik zal uit jullie midden de opstandigen en de overtreders tegen mij uitschiften. Uit het land waar zij als vreemdelingen vertoeven, zal ik hen uitleiden, maar op Israëls grond zullen zij niet komen. Aldus zullen jullie weten dat ik Jahweh ben. 

Tijdens de oorspronkelijke Exodus leidde God zijn Echtgenote uit de wildernis van het land Egypte. Maar er zal in die zin een soort van Tweede Uittocht zijn, wanneer Jahweh zijn uitverkoren volk in de wildernis der volken zal leiden, een situatie die zal ontstaan in de 70e Jaarweek. Zie ook Js 11:11-12

Het Nieuwe Verbond komt dan tussen God en zijn volk in werking, gebaseerd op Jezus' verzoenend offer. Maar velen onder de Joden zullen zich blijven verzetten tegen elke regeling waarbinnen Jezus als hun Messias fungeert.
Maar al die opstandigen en de overtreders tegen mij schift God uit, waarna hij tezamen met een geliefd Overblijfsel - dat voor hem als een Echtgenote zal zijn - opkomt uit de wildernis.
Dat getrouwe deel van Israël zal op haar beurt steunen op haar Geliefde; zoals is voorzegd: 

Op die dag zal de rest van Israel, wat er van Jakobs huis ontkomen is, niet langer steunen op degene door wie het werd geslagen [de Assyriër; beeld van de Antimessias], maar in oprechtheid steunen op Jahweh, de Heilige van Israel.
Een rest zal terugkeren: de rest van Jakob, tot de sterke God.
(Js 10:20; WV78) 

Bij het lezen van Hooglied, in het bijzonder 8:5 >> Wie is deze die daar opkomt uit de wildernis, leunend op haar Geliefde? worden wij als vanzelfsprekend herinnerd aan de soortgelijke uitroep in 3:6-7 >> 

Wie is deze die daar opkomt uit de wildernis, als zuilen van rook, van geurige mirre en wierook van allerlei kruiden van de koopman? Zie! Zijn rustbed welke van Salomo is, omringd door zestig sterke mannen van de machtigen van Israël. 

De uitroep wordt in dit geval gedaan door de "dochters van Jeruzalem" die de luisterrijke stoet de stad zien naderen. En uit het verband moeten wij kennelijk opmaken dat de Sjoelammieth (die bij het vervullen van haar taak terecht was gekomen in het kamp van de koning) in die stoet wordt meegevoerd (Hl 6:11-12). 

Er is wel gesuggereerd dat Salomo het meisje naar de stad meevoerde om zijn voorstellen - haar tot zijn bruid te maken - kracht bij te zetten. Wat in de buurt van haar dorp niet was gelukt, haar te imponeren, zou te midden van de pracht en praal van Jeruzalem en Salomo’s paleis wellicht meer succes hebben. 

Maar eerder schreven we dat de GW van Salomo’s draagkoets overeenkomt met die van de koning met bars gelaat die uiterst geslepen is endubbelzinnige gezegden verstaat, zoals ook Salomo daartoe in staat was (Dn 8:23-25; 1Kn 10:1). 

Om die reden moeten we in de pracht en praal van Salomo’s stoet blijkbaar een voorafbeelding zien van een bedrieglijk namaaksel van de Duivel, dat in de eindtijd door zijn werktuig, de Antimessias, zal worden opgevoerd.
De Satan is immers een meester-vervalser: 

Geen wonder ook! Immers, de Satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid.
(1Ko 11:14-15; nbg) 

• Koning Salomo staat bij de uitleg van sommigen voor de gevaarlijke dreiging van het wereldse materialisme met al haar verlokkingen gedurende de gehele 'eeuw' van de christelijke Gemeente, met inbegrip van de eindtijd.
Maar zulke uitgangspunten houden geen stand.

Wanneer de 'laatste dagen' met de paroesie van Jezus Messias aanbreken, zal de Gemeente worden opgenomen (1Th 4:15-17).
Daarmee valt meteen ook de toepassing van het Verhaal op de christelijke Gemeente weg.
Maar wel verschijnt er dan een tegenbeeldige verlokking in persoon [zoals koning Salomo een levend persoon was] van de Antichrist, de valse Messias, wiens paroesie [aanwezigheid] volgens 2Th 2:8-9 gelijktijdig verloopt met die van Jezus. 

In die periode verschijnt een Overblijfsel op het religieuze wereldtoneel, maar dat zal van joodse origine zijn, zoals de term Overblijfsel altijd verband heeft gehouden met Gods volk Israël. 
Van het in de eindtijd te verschijnen Overblijfsel wordt in Micha, hoofdstuk 5, het volgende voorzegd:


7 En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van Jahweh, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt.
[Vergelijk Mt 24:14; 25:34-40]

8 En het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de natiën, te midden van vele volkeren als een leeuw onder de dieren des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die, wanneer hij er binnendringt, neerslaat en verscheurt, zonder dat iemand redt.
[Vergelijk Mt 25:41-46]. Zie ook de Studie: Schapen en Bokken

Volgens vers 5 gaat dat plaats vinden wanneer de Assyriër [een voorafbeelding van de Antimessias] in Israëls gebied komt.
Aan het einde van Micha, in hoofdstuk 7, lezen we nog:


18 Wie is een God als gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel [Gods erfdeel is altijd Israel/Jakob] voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid! 
19 Hij zal zich wederom over ons ontfermen, hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee.
20 Gij zult trouw bewijzen aan Jakob, goedertierenheid aan Abraham, gelijk gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen


-.-.-.-

Geen opmerkingen: