Veni Domine Iesu

Veni Domine Iesu
De Tent van God bij de mensen en Hij zal bij hen verblijven

vrijdag 30 november 2012

De naos op aarde en de twee getuigen


De Twee Vrouwgemeentes - Deel 3

De naos op aarde en de twee getuigen


   
1 En mij werd een meetriet gegeven gelijk een staf, zeggend: Sta op en meet het tempelheiligdom van God en het altaar en hen die daarin aanbidden.
2 En het voorhof dat buiten het tempelheiligdom is moet je er buiten houden en niet meten want het is aan de Heidenen gegeven, en zij zullen de heilige Stad tweeënveertig maanden vertreden.
 
(1) Openbaring 11:1-2 in het licht van Zacharia 2:1-6.
 
In de weergave van Openbaring 11:1-2 hierboven is het Griekse woord ναος (naos) bewust onvertaald gelaten; dit met de bedoeling om het als themawoord sterk te laten uitkomen in wat verder volgt. Oorspronkelijk duidde naos [Attisch: νεως] op de woonplaats of het heilig domein van een god; specifiek: het binnenste van een tempel waar het godenbeeld was geplaatst. Men zou daarom de term in algemene zin kunnen weergeven met heiligdom.
 
In het boek Openbaring wordt het heiligdom (naos) gewoonlijk voorgesteld onder het beeld van de Tent of Tabernakel in de wildernis, het centrale punt waaromheen het kamp van Israël was gelegerd. Zo lezen wij bijvoorbeeld in Op 15:5
De naos van de Tent der getuigenis in de hemel werd geopend.
 
Hier wordt naos niet alleen beschreven als de Tent der getuigenis, een verwijzing naar het verplaatsbare heiligdom in de wildernis (Exodus 25:8-9), maar wordt tevens zijn locatie nader aangeduid met de Tent der getuigenis in de hemel. Dit is ook het geval in Op 11:19
En de naos van God die in de hemel is werd geopend, en de ark van zijn verbond werd gezien in zijn naos.
 
Dit wil geenszins zeggen dat in de Openbaring de naos zich uitsluitend in de hemel bevindt. De frase in de hemel geeft veeleer aan dat de naosgedeeltelijk hemels is. Er is namelijk ook een aards deel van de naos. Waaruit zou dat blijken?
 
Zoals gezegd verwijst de Openbaring met naos naar de Tent in de wildernis. Later, toen Israël zich in het Beloofde Land had gevestigd, stond dat Tentheiligdom jarenlang in Silo. In 1 Samuel 1:9-10 wordt verhaald hoe de bedroefde Hanna in de nabijheid van de Tabernakel haar hart in gebed uitstortte voor Jahweh God:
Hanna stond op, Eli de priester zat op zijn zetel bij de deurpost van het heiligdom van Jahweh, en bitter van ziel bad zij tot Jahweh.
 
In de Hebreeuwse tekst verschijnt hier voor de eerste maal HeeKaaL voor heiligdom; in de LXX – hier eveneens voor de eerste keer – weergegeven met naos. Duidelijk zal zijn dat het gehele Tentcomplex, met inbegrip van het Voorhof, de naos wordt genoemd. Eli zat immers bij de ingang ervan; niet bij die van het eigenlijke heiligdom, maar bij de kleedachtige afscherming, of poort die toegang verleende tot het Voorhof (Exodus38:18-1940:33).
 
Hiermee wil gezegd zijn dat de naos oorspronkelijk uit twee gedeelten bestond: het eigenlijke heiligdom bestaande uit het Heilige en het Allerheiligste, en het Voorhof. Later, toen de Tabernakel vervangen werd door de tempel van Salomo, werd het complex uitgebreid met een groot buitenvoorhof (1 Koningen 7:12). Bijgevolg werd het binnenste voorhof voortaan aangeduid met het Voorhof der priesters, om het te onderscheiden van die grote buitenvoorhof.
Maar dat toegevoegde voorhof kon niet meer tot de eigenlijke naos gerekend worden.
 
De Bijbel laat overduidelijk uitkomen dat die oorspronkelijke naos, bestaande uit twee gedeelten, typologisch is voor de 2 Vrouwgemeentes cq voor de twee bestemmingen die Jahweh God in zijn voornemen met betrekking tot het zaad van Abraham heeft gereserveerd: hemels voor Jezus' bruidgemeente, en aards voor Jahwehs vrouw Israël.
Zie o.a. Deel 1 in deze serie.
 
De tekenen (Op 1:1-3) van de Apocalyps lijken, naast het hemelse deel, ook te zinspelen op het aardse deel van de naos. Bijvoorbeeld Op 3:12, waar aan de getrouwe Joden van Filadelfia het volgende werd toegezegd:
Hij die overwint, hém zal ik maken een pilaar in de naos van mijn God en hij zal er nooit meer uitgaan. Ook zal ik op hem schrijven de naam van mijn God en de naam van de Stad van mijn God, het Nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt vanaf mijn God, en de nieuwe naam van mij.
 
Kan deze belofte werkelijk op etnisch Israël, het aardse deel van het Israël Gods, worden toegepast? Zeker, want de boodschap is gericht tot de gemeente die te Filadelfia is. Uit vers 9 blijkt dat zij Joden zijn en tot de synagoge van Israël behoren, in tegenstelling tot anderen die tot de synagoge van Satan behoren en slechts beweren dat zij ware Joden zijn.
In vers 10 wordt ook nog gezinspeeld op de Grote Verdrukking – het uur der beproeving – waaruit de joodse uitverkorenen gered zullen worden. –Mattheüs 24:21-25.
 
Zie ook Openbaring 7:14 waar getoond wordt dat de joodse Rest uit de Grote Verdrukking komt, waarmee dan tevens een bewijs wordt geleverd dat de naos in het volgende vers (15) aards van karakter moet zijn.
 
Openbaring 3:12 is om nog een andere reden interessant. In dit schriftdeel krijgen wij namelijk voor de eerste maal in de Apocalyps de hint dat de naos gelijkgesteld wordt aan de Stad, het Nieuwe Jeruzalem. Dit is een belangrijke sleutel tot begrip van ondermeer Openbaring 11:2 (zie verder). De overwinnaars wordt immers toegezegd dat zij door Messias Jezus tot pilaren gemaakt zullen worden in de naos, maar ook dat hij de naam van de Stad op hen zal schrijven. Dat impliceert kennelijk dat het Nieuwe Jeruzalem niet alleen een Stad is maar ook een naos. Hoe kan dat? Omdat volgens Op 21:22 God zelf de naos van het Nieuwe Jeruzalem is.
 
Maar nu terug naar het tekstgedeelte van de inleiding: De daad van het meten is uiteraard zinnebeeldig, maar het duidt wel op iets dat een bezit van God is. Hij geeft daarmee te kennen dat het te meten object hem toebehoort, zijn eigendom, bestemd voor zijn gebruik. Tot Johannes wordt gezegd: Sta op, meet de naos, d.i. het ware Israël Gods, of ook wel: het ware Jeruzalem – de Stad Gods (Psalm 46:5; 48:2-3) - gevormd door het Jeruzalem dat boven en door het Jeruzalem dat van beneden is. –Galaten 4:25-26.
 
In Openbaring 11 bevinden we ons kennelijk bij het begin van de 70e Jaarweek van Daniël 9. De volheid der Heidenen is ingegaan, wat wil zeggen dat de Vrouwgemeente van Jezus Messias geroepen en bijeengebracht is; dus voltallig is (Romeinen 11:25).
Op aarde vertegenwoordigd door de voorste afdeling van de naos, het Heilige met het reukaltaar, is die gemeente – het Jeruzalem dat boven is – bij het begin van de Jaarweek de hemel zelf binnengegaan door de Opname. Of, om het met de woorden van Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:17 aan te geven: weggerukt in wolken, de Heer tegemoet in de lucht.
Dat deel van de naos - het hemelse deel - is dan volledig opgebouwd en kan gemeten worden.
 
Het Voorhof buiten de naos wordt in deze context blijkbaar gevormd door het Voorhof der priesters. Merk op dat niet wordt gesproken over hetbuitenste voorhof, maar [letterlijk naar het Grieks] over het voorhof het buiten de naos, dus buiten het heiligdom zelf. Zoals hierboven al toegelicht had de Tent of Tabernakel in de wildernis slechts één Voorhof. De GNB geeft daarom niet ten onrechte de vertaling:
 
Maar sla het plein voor de tempel over; meet het niet op, want het is in handen van de heidenen gegeven. Zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang.
 
Welnu, het Voorhof moet nu nog niet gemeten worden. Waarom niet? Daarvoor bestaan enkele redenen.
Zoals wij begrepen zullen hebben, staat het bouwen van de naos gelijk met het bouwen van mensen, het volk van God. Vergelijk Efeziërs 2:20-22, de naos wordt in het Messiaanse tijdperk opgebouwd uit mensen tot een woonplaats van God in geest.
 
Het meten van de tegenbeeldige Voorhof is om die reden bij het begin van de 70e Week nog niet aan de orde (Exodus 40:8, 33), aangezien
 
a. pas op de helft van die Week met Israël het Nieuwe Verbond zal worden gesloten, op basis waarvan afzonderlijke Joden de geboorte van boven kunnen ontvangen door de werking van de heilige geest in hen (Ez 36:24-27; Jr 31:30-34;
 
b. uitdrukkelijk wordt verklaard dat God toestaat dat ook het voorhof dat buiten de naos is  nog 42 maanden door de Heidenvolken mag worden vertreden, zelfs wanneer op de helft van de Week de Tijden der Heidenen, na een periode van 4200 jaar, gerekend vanaf de Spraakverwarring, tot een definitief einde kwamen bij de oprichting van het Koninkrijk Gods.
 
Zie: De Tijden der Heidenen of De Zeven Tijden.
 
Een andere reden waarom het aardse deel van de Stad Gods niet gemeten dient te worden, vernemen wij uit Zacharia 2:1-5
 
Ik sloeg mijn ogen op, zag toe, en ziedaar: een man met een meetsnoer in zijn hand. Ik zei: Waar ga je heen? Hij zei tot mij:Jeruzalem meten  om te zien, wat haar breedte wordt en wat haar lengte. En zie, de engel die met mij sprak verscheen, terwijl een andere engel hem tegemoet ging en tot hem zei: Ga ijlings, spreek tot die jongeman: Gelijk open dorpen zal Jeruzalem wonen vanwege de menigte aan mensen en vee in haar midden; en ikzelf, spreekt Jahweh, zal een wal van vuur rondom haar zijn en tot heerlijkheid zal ik worden in haar midden.
 
Waarom moet de engel die uitleg gaf aan Zacharia zich haasten naar de jongeman  die Jeruzalem wilde meten? Jeruzalem wordt inderdaad alsnog door Jahweh God verkozen en de stad zal gebouwd en bewoond worden, zoals telkens  wordt verzekerd [Zc 1:17; 2:12 en 3:2], maar de jongeman loopt in zijn onervarenheid vooruit op de gebeurtenissen die in Zc 1:16 worden aangekondigd:
 
Daarom spreekt Jahweh aldus: Ik zal beslist met barmhartigheden tot Jeruzalem terugkeren; mijn Huis zal in haar worden gebouwd, spreekt Jahweh der legerscharen, en een meetsnoer zal over Jeruzalem worden gespannen.
 
Een zelfde verzekering dat Jeruzalem weer zal worden gebouwd, zonder ooit nog omvergehaald te worden, wordt in Jeremia 31:38-40 gevonden. Dan ook breekt de tijd aan dat het meetsnoer een groot gebied dat iets heiligs voor JHWH zal zijn, zal afbakenen of insluiten.
Vergelijk Ezechiël 43:12; Joël 3:17.
 
Dat we in verband met Sion of Jeruzalem weer aan mensen moeten denken, blijkt uit Jesaja 4:3
Maar bij het begin van de 70e Week is het duidelijk zover nog niet. De hemel kan weliswaar geplant worden, maar de aarde wordt voorlopig noggegrondvest, overeenkomstig Jesaja 51:16:
 
Ik heb mijn woord in uw mond gelegd en met de schaduw van mijn hand heb ik u bedekt, om de hemelen te planten en de aarde tegrondvesten, en om tot Sion te zeggen: Mijn volk zijt gij.
 
In dit stadium moet Jeruzalem derhalve (nog) niet worden gemeten. De stadsuitbreiding zal zo intens zijn dat er van een omwalling geen sprake kan zijn. Als open dorpen – plattelandsgebied – wordt het aanzien van de Stad. De verwachting is namelijk dat de gezamenlijke diaspora zal terugkeren. Een menigte van mensen zal zich mettertijd in haar midden bevinden. En niet te vergeten de velen die zullen terugkeren uit een heel ander gebied, het land van de vijand, de Dood! 
Zacharia 2:6-9;  Deuteronomium 30:3-5;  Jeremia 31:15-17.
 
Het vooruitlopen op de tijd die God voor de vervulling van zijn voornemens heeft bestemd, is een terugkerend verschijnsel onder Gods volk. Denk aan Mozes die 40 jaar te vroeg op eigen initiatief tot actie overging ten behoeve van zijn verdrukte volk.
Handelingen 7:23-25, 30–36.
 
Het lijkt aannemelijk dat in Zacharia 2:1-5 niet gedoeld wordt op het voorbarig handelen van het huidige Zionisme. Eerder lijkt het waarschijnlijk dat bij het aanbreken van de 70e Jaarweek, wanneer de klok voor het oude Verbondsvolk weer begint te lopen, velen in hun enthousiasme op de vervulling der herstelprofetieën zullen vooruitlopen. Wellicht dat Ezechiël 37:1-10 die gedachte ondersteunt.
 
Bij het eerste profeteren van Ezechiël werden de dorre beenderen van het gehele Huis van Israël (vers 11) samengevoegd tot personen. Zij waren niet langer afgesneden en aan zichzelf overgelaten (vers 11b). Zij waren om zo te zeggen uit hun grafsteden verrezen (vers 12), maar werkelijk leven was (nog) niet in hen. De roeach [geest] ontbrak nog. Vandaar dat de profeet nog verder moest profeteren. Het resultaat? En de geest kwam in hen; zij kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan, een buitengewoon grote macht (vers 10).
 
Werkelijk herstel komt pas wanneer de geest van God hen tot een nieuwe schepping maakt (Ez 36:24-27). Alles wat mensen op dit terrein door eigen krachtsinspanningen zullen trachten te bereiken, hoe goed bedoeld dat ook moge schijnen, is voorbarig handelen en daarom tot mislukken gedoemd.  
 
(2) Openbaring 11:2-3 in het licht van  Zacharia 3:1-4, 9
 
2 En het voorhof dat buiten het tempelheiligdom is moet je er buiten houden en niet meten want het is aan de Heidenen gegeven, en zij zullen de heilige Stad tweeënveertig maanden vertreden.
3 En ik zal aan mijn twee getuigen [opdracht] geven en zij zullen, gehuld in zakkleding, 1260 dagen profeteren. -Openbaring 11:1-3
 
Zc 3:1-4, 9 
Hij toonde mij Jozua, de hogepriester, staande voor de engel van Jahweh,  terwijl de Satan aan zijn rechterhand stond om hem te beschuldigen. Maar [de engel van] Jahweh zei tot de Satan: Jahweh bestraffe u, Satan!  Jahweh, die Jeruzalem uitverkoren heeft, bestraffe u! Is deze niet een uit het vuur gerukt brandhout?
Jozua nu was met vuile gewaden bekleed terwijl hij daar voor de engel stond. Deze nam het woord en zei tot hen die voor hem stonden: Doet die smerige gewaden van hem af! En hij zei tot hem: Zie, ik heb uw schuld laten voorbijgaan. Ik bekleed u met feestgewaden, en ik zeg: Laat men een reine tulband op zijn hoofd zetten!… Want zie! de steen die ik vóór Jozua heb gegeven: op die ene steen zijn zeven ogen. Zie! ik heb zijn graveerwerk gegraveerd, spreekt JHWH der legerscharen. En ik zal de schuld van dat land op één dag wegnemen.
 
De Vrouwgemeente van Israël, vertegenwoordigd door de getrouwe Rest, kan blijkbaar met Jozua, de hogepriester worden vereenzelvigd die door de Satan beschuldigd wordt vanwege zijn bevuilde kleren. Nóg een reden waarom het Voorhof dat het werkterrein der Levieten was, niet moet worden gemeten. 
Het Overblijfsel moet nog door een moeilijke tijd heen en is aanvankelijk niet getooid in reine klederen.
 
Gezien de achtergrond van vele eeuwen, verstrooid te midden van de wereldse natiën, is Haggaï 2:14 op hen van toepassing:
Zo is dit volk, zo is het met deze natie in mijn ogen gesteld, geeft Jahweh te kennen. Zo is ook al het werk van hun handen, en dat waarmee zij naderen: het is onrein.
 
In Zacharia 3 bevinden wij ons kennelijk in een bepaald stadium van Israëls geschiedenis: een rechtszitting die teneinde loopt. Satan is als aanklager opgetreden. Ogenschijnlijk heeft hij een terechte beschuldiging ingebracht: Jozua de hogepriester staat daar blootshoofds met besmeurde kleding.
Nergens zegt de tekst evenwel dat die toestand Jozua’s persoonlijke schuld is. Eerder lijkt Jozua daar te staan als een verzinnebeelding van de schuld, de verontreiniging en nood van het gehele volk.
 
Dat we op die wijze tegen deze zaak moeten aankijken, toont blijkbaar vers 9, want zijn reiniging loopt eveneens op de reiniging van het volk uit. In ieder geval wijst de engel de aanklacht van Satan in scherpe bewoordingen af:
Jahweh bestraffe u, Satan; Jahweh, die Jeruzalem heeft verkozen, bestraffe u! Is deze niet als  een stuk hout, dat uit het vuur is gerukt? –Zacharia 3:2
 
Na eeuwen van verstrooiing en ballingschap, keert Jahweh God zich alsnog in gunst tot Jeruzalem. Jozua die het volk vertegenwoordigt, is symbolisch een uit het vuur gerukt stuk hout. Met het oog dáárop reageert God met geduld en barmhartigheid op de berouwvolle houding van het Overblijfsel. De Israëlitische Rest valt reiniging ten deel, precies zoals het geval is met Jozua:
Ontdoet hem van die smerige kleren!…Zie, ik heb uw ongerechtigheid aan u voorbij laten gaan. Ik bekleed u met feestgewaden! (vers 4).
 
Het verwisselen van besmeurde- voor reine kleding komt overeen met de gerechtigheid ontvangen op basis van geloof in de Messias. Om die reden is Jahweh God voortaan met hen en zegent hij hen in hun activiteit binnen het tegenbeeldige, priesterlijke Voorhof. In vers 9 komt dat goed tot uitdrukking:
Want zie! de steen die ik vóór Jozua heb gegeven: op die ene steen zijn zeven ogen. Zie! ik heb zijn graveerwerk gegraveerd, spreekt Jahweh der legerscharen. En ik zal de schuld van dat land op één dag wegnemen.
 
Blijkbaar is hier de Steen van Psalm 118:22 in beeld (in Deel 2 uitvoeriger behandeld): het aardse deel van het Israël Gods dat van geen belang werd geacht, maar nu tot een speciale Steen wordt verheven: de hoofdhoeksteen die ten grondslag komt te liggen aan de maatschappij die in het Millennium op aarde zal bestaan.
Zie het verband met Zc 4:7-10.
 
Maar eerst hebben zij een taak te vervullen: Met Gods zegen en de onweerstaanbare kracht van zijn geest profeteren zij in zakkleding gedurende de 42 maanden van de Tweede helft van de 70e Week. Gehuld daarin als zinnebeeld voor een profeet die een onaangename boodschap te verkondigen heeft, stellen zij onverbloemd al het bedrog aan de kaak dat samenhangt met de opkomst van een pseudo-messias. Terwijl de vaak zo aangeduide apocalyptische ruiters uitrijden, leggen zij zijn ware aard bloot en maken alom bekend dat hij een ramp voor de mensheid is en zal zijn (Op 6:1-8)
 
(3) Openbaring 11:4 in het licht van Zacharia 4:6, 11-14.
 
4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaarden die voor het aangezicht van de Heer der aarde staan.
 
Zc 4:6, 11-14
Daarop antwoordde hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van Jahweh tot Zerubbabel: Niet door kracht en niet door geweld, maar door mijn geest, zegt Jahweh van de legermachten…
Daarna antwoordde ik en zei tegen hem: Wat betekenen die twee olijfbomen aan de rechterkant van de kandelaar en aan de linkerkant ervan? En voor de tweede keer antwoordde ik en zei tegen hem: Wat betekenen die twee olijftakken die door twee gouden buisjes gouden olie uit zich weg laten lopen?
Toen sprak hij tot mij: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heer. Daarop zei hij: Dat zijn de twee gezalfden, die bij de Heer van heel de aarde staan.
  
De Twee getuigen worden gelijkgesteld met de 2 olijfbomen, of letterlijk de 2 oliezonen uit Zacharia 4, die vóór de Heer van de gehele aarde staan.
Ook is er sprake van 2 lampenstandaarden. Op grond van Zacharia 4, waaraan die beelden zijn ontleend, kunnen we dan denken aan Jozua, de hogepriester en Zerubbabel, de bestuurder van Juda, die beide – gesterkt door Gods geest – de tempelbouw ter hand namen en daaraan leiding gaven.
Zie Haggaï 2:4-5.
 
Dat moet wel betekenen dat de activiteit der Twee getuigen erop gericht is om mensen te bouwen, tot een naos, een verblijfplaats van God in geest.
Maar het betekent eveneens dat er, te midden van een wereld in duisternis, in die cruciale wereldperiode door een gelovig joods Overblijfsel licht zal worden uitgestraald. Zij zijn zinnebeeldig immers ook de twee kandelaars die staan vóór de Heer van de gehele aarde.
Bijgevolg zal de wereld in die licht uitstralende kandelaars de vervulling meemaken van Jesaja 59:20 – 60:3. Volgens de wv78 lezen we daar:
 
Maar als verlosser komt hij naar Sion, naar alle zonen van Jakob die hun weerspannigheid opgeven, zo luidt de godsspraak van Jahweh. Wat mij betreft, dit is mijn verbond met hen, zegt Jahweh. Mijn Geest, die op u rust, en de woorden die ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw nakomelingen, noch uit die van hun nakomelingen, zegt Jahweh, van nu af en tot in eeuwigheid.
 
Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van Jahweh gaat over u op. En zie, de duisternis bedekt de aarde, en donkerte de volken, maar over u gaat Jahweh lichtend op, zijn glorie verschijnt over u. En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad.
 
 
Dit Schriftdeel impliceert dat hun profeteren met de activiteiten van nog 2 andere historische personen in verband kan worden gebracht:
 
5 En indien iemand hun schade wil toebrengen komt er vuur voort uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen moet hij aldus gedood worden.
6 Dezen hebben de bevoegdheid de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profetie; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.
 
Duidelijk zijn Elia en Mozes hier in beeld. Dat bevreemdt zeker niet, aangezien die beide mannen ook verschijnen in het transfiguratievisioen waarin Jezus wordt getoond in koninkrijksheerlijkheid tijdens zijn paroesie.
Zie Mt 17:2-3, 9; Lk 9:27-31. Voor commentaar, zie Lukas 9.
 
Toen Petrus namelijk enkele tientallen jaren later op die bijzondere ervaring terugblikte, maakte hij daarvan melding:

Want niet door vernuftig verzonnen fabels na te volgen maakten wij jullie de kracht en paroesie van onze Heer Jezus Messias bekend, maar doordat wij ooggetuigen van diens grootsheid werden. Want hij ontving van God [de] Vader eer en heerlijkheid, toen van de Verheven Heerlijkheid een zodanig stemgeluid tot hem werd overgebracht: ‘Deze is mijn zoon, de geliefde, in wie ik welbehagen heb gevonden’; en wij hebben dit stemgeluid uit de hemel overgebracht horen worden, toen wij met hem op de heilige berg waren. (2Pt 1:16-18)

Petrus onthulde hiermee dat het transfiguratietafereel een voorglimp bood van Jezus’ toekomstige koninkrijksheerlijkheid. Ook Lukas had daarop al gewezen in zijn verslag: Naast Messias Jezus verschenen ook Mozes en Elia in heerlijkheid (Lk 9:27-31).
En dat is precies wat wij ook hier, in de Openbaring, terugzien. Er rust duidelijk een mate van heerlijkheid op de Twee Getuigen.
 
De betekenis van hun profeteren moet breed worden gezien. In de Bijbel is profeteren niet noodzakelijk of zelfs niet in de eerste plaats voorzeggingen uiten. Eerder heeft de term betrekking op de bekendmaking van de raad en de gedachten van God; het uiteenzetten en verduidelijken daarvan.
Om die reden wilde de apostel Paulus dat er binnen de gemeente te Korinthe bij voorkeur werd geprofeteerd: de zaken die met God verband houden verklaren, toelichten, er betekenis inleggen, de waarde ervan doen uitkomen; kortom mensen opbouwen en zonodig vermanen.
1 Korinthiërs 14:1-3.
 
Hun profeteren roept een vijandschap op die uitmondt in vervolging. Velen zullen blijkbaar niet gediend zijn van hun wijze van profeteren. Te denken valt aan de joodse aanhang van de Antichrist. Js 66:5 schijnt daarvan een indruk te geven:
 
Hoort het woord van Jahweh, jullie die voor zijn woord beven. Jullie [joodse] broeders die jullie haten, die jullie verstoten, omwille van mijn naam, hebben gezegd: Jahweh worde verheerlijkt! Maar hij zal in jullie vreugde verschijnen en zij zullen beschaamd staan.
 
Vijandschap dus van de zijde van hun eigen volksgenoten. Maar de Twee Getuigen schijnen een tijd lang onaantastbaar te zijn. Indien nodig komt er vuur uit hun mond, volgens het principe van Jr 5:14, boodschappen die op hun vijanden de uitwerking hebben alsof zij vuur uitademen. Vergelijk Nm 16:1-3, 35 en 2Kn 1:9-12; Zc 2:5.
 
Hun bevoegdheid om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt, wijst terug naar de tijd van Achab en diens moordzuchtige vrouw Izebel, toen Israël diep verzonken was geraakt in de Baälcultus. Op Elia’s woord werd in vervulling van Dt 28:23-24 de hemel boven Israël 3½ jaar toegesloten zodat er geen regen viel.
 
Het effect op de Israëlitische maatschappij was ruïneus (1Kn 18:5). Dit kan betekenen dat er tijdens de overeenkomstige periode van 3½ jaar voor Gods vijanden absolute geestelijke droogte zal heersen; dat er wat hen betreft geen sprake zal zijn van ook maar enige geestelijke verfrissing voor de ziel, zoals ook aangegeven in de profetische verklaringen van Js 65:13 en Am 8:11.
 
 
Over 'Elia' zei de Messias zelf:
Zeker, Elia komt, en zal alle dingen herstellen (Mt 17:10-11).
Hieruit valt af te leiden dat het werk van de Twee Getuigen onder meer het herstel van alle dingen door 'Elia' omvat. Zie ook Hn 3:20-21.
Tijdens hun speciale periode van activiteit in de 70e Week richt de Messias zijn aandacht opnieuw op het aardse deel van het Israël Gods teneinde leiding te geven aan het door de profeten voorzegde herstel. 'Elia' zal daarin zijn menselijke instrument zijn.
In het boek Maleachi was profetisch al een indruk gegeven van dat Eliawerk:
 
Zie, ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht een weg zal bereiden.
Plotseling zal  tot zijn tempel [naos, LXX] komen de Heer die gij zoekt, en de engel van het Verbond, in wie gij behagen hebt. Zie, hij komt, zegt Jahweh der  legerscharen…..
Zie, ik zend u Elia de profeet, voordat de grote en geduchte dag van Jahweh komt. En hij zal het hart der vaderen keren tot zonen en het hart der zonen tot hun vaderen; opdat ik niet kom en het land met een banvloek sla.
 
Zoals zo vaak aan de orde is, kregen ook deze aankondigingen bij het aanbreken van de Messiaanse tijd een toepassing. In dit geval in de bediening van Johannes de Doper. Johannes kwam, zoals Gods engel aan zijn vader Zacharias had voorzeg in de geest en de kracht van Elia(Lukas 1:16-17):
 
En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot de Heer, hun God. En zelf zal hij voor zijn aangezicht uitgaan in [de]geest en kracht van Elia, om harten der vaderen te doen terugkeren tot kinderen en ongehoorzamen in een gezindheid van rechtvaardigen, om voor de Heer een toegerust volk gereed te maken. 
 
Wanneer we dus stilstaan bij de "Elia" cq de Twee getuigen cq de gelovige joodse Rest van de eindtijd, dan kunnen we bepaalde kenmerken mbt het optreden van Johannes daarin betrekken:
a  Na afloop van zijn dienst werd Johannes door Herodes ter dood gebracht.
b  De vraag naar zijn identiteit werd door Johannes zelf beantwoord met een verwijzing naar Jesaja 40:3, een herstelprofetie bij uitstek: Ik ben een stem van iemand die in de wildernis roept: Maakt de weg van de Heer recht (Jh 1:23).   
 
De voorzegging dat zij macht hebben over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, gaat specifiek terug op Mozes ten tijde van de Exodus. Als Gods afgezant die het volk Israël uit Egypte moest leiden, raakte hij in hevig conflict met de arrogante en halsstarrige Farao.
Dat laat uitkomen dat de situatie van de Twee getuigen daarmee vergelijkbaar zal zijn. In de voleinding van de eeuw – ten tijde van de tirannieke heerschappij van de Antichrist - moet het oude Godsvolk opnieuw uitgeleid worden, maar dan uit de landen waarheen zij verstrooid werden en waarin zij dikwijls verdrukt werden.
 
Het effect van de plagen op de mensen zal groot zijn. Als de instrumenten van de hemel zullen de Twee getuigen die plagen voor de mensen beschrijven en/of verklaren, precies zoals Mozes deed. Met Gods zegen en de onweerstaanbare kracht van zijn geest zullen zij onverbloemd al het bedrog van de Antichrist aan de kaak stellen. Zij zullen de ware aard van zijn zogenaamde wonderwerken en leugenachtige tekenen bloot leggen. Zie het commentaar op Op 8:7
Niets zal oprechte toeschouwers méér de indruk geven dat God met hen is en dat zijn zegen op hen rust, dan dit spreken [profeteren] krachtens zijn geest.
 
Gezien dan ook de belangrijke, veelomvattende dienst die de Twee Getuigen verrichten, verbaast het ons niet dat er een mate van heerlijkheid op hen rust die zelfs voor de Antichrist onaantastbaar is. 
Pas wanneer Gods hand van bescherming wordt teruggetrokken, zullen zij - vergelijkbaar met wat er in Jezus' geval gebeurde - "gedood" kunnen worden. In hun geval door het Beest dat uit de afgrond opstijgt.
 
En dat is meteen nog een reden waarom dit Elia-werk kennelijk plaats vindt tijdens de Eerste helft van de laatste Jaarweek voor Israël. Uithoofdstuk 13 van de Openbaring moeten we immers concluderen dat het opstijgen van het antichristelijke Beest uit de zee [afgrond], volgt op de neerwerping van de Satanische Draak en zijn engelen op de helft van de Week. Want dan weet de Duivel met zekerheid dat hem nog weinig tijdrest, namelijk nog slechts een tijd en tijden en een halve tijd 3½ jaar derhalve, de periode die ook in Dn 7:25 wordt genoemd, waarin de Kleine Horen de gelegenheid krijgt het Overblijfsel van Israël voortdurend te bestoken doordat die heiligen in zijn hand worden overgegeven. Vergelijk Op 13:5-7.    
 
 
Wanneer zij hun getuigenis hebben voltooid zal het Beest dat uit de afgrond opstijgt oorlog met hen voeren, en het zal hen overwinnen en hen doden.
 
Het Beest, de valse Messias, krijgt tenslotte de ruimte om de Elia-getuigen dodelijk aan te vallen. Of, om het met de profetische woorden van Dn 12:7 te omschrijven: Hij verplettert de macht [lett.: hand] van het heilige volk.
Zij waren een constante doorn in de zijde van Satan en zijn demonen. Zij hielden niet op de mensen de waarheid te vertellen over wat er werkelijk in de wereld aan de hand was: De antichristelijke macht die, door het beeld van de Vier ruiters te vervullen, was uitgereden om de hele wereld onder zijn schrikbewind te brengen.
Zie: Op 6:1-8.
 
Nu mag die tiran die twee getuigen uiteindelijk tot zwijgen brengen, maar alleen omdat God zijn hand van bescherming die over hen was terugtrekt, én niet nadat hij alle dingen die in verband met hen waren voorbestemd, succesvol heeft volbracht, met name een belangrijk deel van het Eliawerk.    
Omdat de laatste generatie christenen, tezamen met hen die werden opgewekt, reeds bij het begin van de Jaarweek tot hemels leven werdenveranderd in de Opname, kwam vanaf dat moment het joodse Overblijfsel in het brandpunt der belangstelling van de hele wereld te staan (1Ko 15:51-52).
 
 
 
En hun lijk op het plein van de grote stad die in geestelijke zin Sodom en Egypte wordt genoemd, alwaar ook hun Heer werd terechtgesteld. En [mensen] uit de volken en stammen en talen en natiën kijken naar hun lijk drie dagen en een halve [dag] en zij staan niet toe dat hun lijken in een gedenkgraf worden gelegd. En de bewoners der aarde verheugen zich over hen en vieren feest en zij zullen elkaar geschenken sturen, aangezien deze twee profeten hen die op de aarde wonen hebben gepijnigd.
 
Het tafereel dat hier wordt geschilderd is in hoge mate zinnebeeldig en het is niet eenvoudig vast te stellen hoe de beelden geïnterpreteerd moeten worden. Het geheel doet denken aan het wereldbeeld zoals het zal bestaan ten tijde van het schrikbewind door de Antichrist. Een toekomstige wereldsituatie derhalve, wellicht vooral gezien vanuit een joodse invalshoek.
 
Dat het om een wereldsituatie moet gaan zou blijken uit het feit dat de Twee Getuigen - de joodse Rest - wereldwijd actief zijn geweest. Zij hebben immers de bewoners der aarde met hun profeteren gekweld. Voorts zijn er mensen - blijkbaar joodse personen - die vanuit alle delen der aarde naar hun dode lichaam kijken.
Verder constateren we het volgende:
 
(1) Hun lijk [enkelvoud, hetgeen wijst op een georganiseerd lichaam] ligt op het plein van de Grote Stad, die volgens Op 18:10, 16, 18-19, 21Babylon, de Moeder der hoeren, is (Op 17:5); een religieuze samenleving van zeer veel mensen onder demoneninvloed (Op 18:2).
 
(2) Die Grote Stad wordt gelijkgesteld met 'Sodom', symbool van decadentie (Js 1:4-6, 9-10) en ook met 'Egypte', zinnebeeldig voor de hele wereld, destijds onder de tirannieke, onderdrukkende heerschappij van de Farao, maar in de Openbaring onder demonenheerschappij (Op 17:9-11).
 
(3) Omdat er – in bedekte termen weliswaar –  sprake is van een "Jeruzalem", alwaar ook hun Heer werd terechtgesteld, lijkt daarmee  gezinspeeld te worden op de funeste rol die de joodse aanhang van hun valse messias wereldwijd zal vervullen ten aanzien van de gelovige Rest,hun broeders die zij haten (Js 66:5). Handelend naar het voorbeeld van hun voorvaders, vertegenwoordigen zij in het bijzonder "Jeruzalem" alsde moordzuchtige stad (Mt 23:32-33, 37a; Hn 7:52).
 
Ook in dit geval is "Jeruzalem" een nadere typering van de Grote Stad. En dus moet niemand zich verwonderen over het feit dat men binnen die samenleving, naast een zedeloze en onderdrukkende, ook een moordzuchtige geest aantreft. Vooral zij die getuigenis afleggen van Jezus en de praktijken van de antichristelijke macht aan de kaak stellen, ondervinden die moordzuchtige geest (Op 2:10; 6:9-11; 14:13).
 
De geschiedenis herhaalt zich. Zoals in het geval van Jezus de verdorven religieuze leiders het vuile werk overlieten aan de Romeinse overheerser, zo ook in de eindtijd: de joodse aanhang van het Beest weet te bewerkstelligen dat hij de getrouwe Rest uitschakelt. Vandaar de nadere bepaling: alwaar ook hun Heer werd terechtgesteld, d.i. aan een paal ter dood gebracht.
 
Op die Joden wordt dan ook gedoeld wanneer gezegd wordt: [mensen] uit de volken en stammen en talen en natiën kijken naar hun lijk drie dagen en een halve [dag] en zij staan niet toe dat hun lijken in een gedenkgraf worden gelegd.
Wanneer die frase wordt gebruikt hebben we, zoals eerder bleek, aan de diaspora te denken. Vergelijk Op 5:9 en 7:9.
 
(4) En de bewoners der aarde verheugen zich over hen en vieren feest en zij zullen elkaar geschenken sturen, aangezien deze twee profeten hen die op de aarde wonen hebben gepijnigd.
Over de hele wereld feliciteren de aardsgezinde mensen elkaar. Want juist die morele klasse, uitsluitend levend voor aardse geneugten, werd door het profeteren der Elia-getuigen en de plagen die daarmee vergezeld gingen, pijnlijk getroffen. Zie het commentaar bij Op 8:13. Zij die de leugen liefhebben kunnen het gewoon niet verduren (2Th 2:9-12).
 
Bij feestelijke gelegenheden elkaar geschenken zenden, verwijst weer terug naar gebruiken in OT tijden. Zie Nh 8:12. Toen de Joden bij de ondergang van Haman, één van de prototypen van de Antichrist, feest vierden, spraken zij af dit elk jaar te herhalen en elkaar over-en-weer geschenken te sturen (Es 9:19). 
Indien de personen van Op 11:10 handelen naar dat beeld, doet zich het bizarre feit voor dat zij in werkelijkheid en in zekere zin Hamans schijnbare overwinning op Mordechai en diens broeders vieren. Vergelijk Es 3:10-15.
 
Wat kan er voor zulke 'feestvierders' verwacht worden? Zoals er ondergang kwam voor Haman en zijn aanhang, zo eveneens voor het Beest en degenen die het vereren (Op 13:8). Tot hun afgrijzen zullen de rollen snel worden omgedraaid!
Vergelijk Es 7:6-10; 9:1-10. De schrik is groot als het volgende gebeurt:
 
 
En na de drie en een halve dag kwam levensgeest van God in hen, en zij gingen op hun voeten staan, en grote vrees viel op hen die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Stijgt hierheen op!  En zij stegen op tot in de hemel in de wolk terwijl hun vijanden hen aanschouwen. En in dat uur geschiedde een grote aardbeving, en het tiende van de Stad viel, en in de aardbeving werden zeven duizend namen van mensen gedood.
 
Tot grote ontzetting van de aanhang van de Beestachtige Antichrist vindt er iets volkomen onverwacht plaats: De dood gewaande getuigen herleven (Ez 37:10). Zij gaan op hun voeten staan, klaar voor actie!
Verschijnen zij om opnieuw een pijnigende boodschap over te brengen? Dat is blijkbaar niet het geval. Zij worden veeleer verheerlijkt doordat zij tot een hogere en nieuwe positie worden geroepen, naar het schijnt in een Elisa-setting. Die hemelhoge verheffing bekrachtigt de waarheid en Gods gunst achter hun profeteren van de eerste 3½ jaar.
 
 
Geheel vervuld van vrees zijn hun vijanden getuige van een gebeurtenis die even indrukwekkend is als het ten hemel opnemen van Elia. Volgens de LXX-versie van 2Kn 2:11 werd Elia in een wervelwind opgenomen als het ware tot in de hemel. Naar naderhand bleek werd hij overgezet in het koninkrijk Juda waar de goede koning Josafat regeerde (2Kr 21:12). In tegenstelling tot hetgeen algemeen wordt aangenomen bereikte Elia niet werkelijk de heilige hemelen van Gods verblijfplaats. Jezus zelf bevestigde naderhand dat feit:
 
 Er is nog nooit iemand naar de hemel opgestegen, alleen hij die van de hemel is neergedaald: de Mensenzoon (Jh 3:13; GNB 1996) 
 
Naar dat profetische patroon worden ook de Elia-getuigen van de eindtijd niet letterlijk gedood. Jahweh staat het Beest slechts toe een einde te maken aan een voor hem en zijn aanhang pijnlijke activiteit. Nadat zij gedurende een korte periode met smaad zijn overladen, worden zij verheven, als het ware tot in de hemel, in de wolk; blijkbaar zinnebeeldig voor de heerlijkheid die hen ten deel valt binnen het Messiaanse koninkrijk dat nu, op de helft van de Week, wordt opgericht en nog als goede tijdingen gepredikt moet worden tot een getuigenis voor alle Heidenvolken voordat het einde komt (Mt 24:14; Op 14:6-7). 
 
De 3½ dag van een op de dood gelijkende inactiviteit als gevolg van de actie door het Beest, is dan ook zinnebeeldig op te vatten en lijkt overeen te komen met Elia’s vlucht voor de moordzuchtige Izebel; een periode van meer dan 40 dagen waarin hij als het ware dood of inactief was voor zijn eigen volk Israël (1Kn 19:1-5).
Ook toen was een periode van 3½ jaar verstreken waarin Elia Gods voornemen met betrekking tot hem volledig had vervuld, ondermeer gekenmerkt door de vuurproef op de Karmel waarna de profeten van de valse god Baäl werden afgeslacht (1Kn 18:21-40).
 
Op zijn vlucht voor Izebel bereikte Elia tenslotte de berg Horeb. Ontmoedigd reageerde hij op Gods vraag wat hij daar wel te zoeken had met de woorden:
 
Ik heb vurig geijverd voor Jahweh, de God der legerscharen. De Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en nu zoeken zij mijn ziel om die weg te nemen.
 
Maar daarin vergiste Elia zich. In zijn reactie zei Jahweh onder meer tot hem: Ik heb laten overblijven in Israël zevenduizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet heeft gekust (1Kn 19:9-10, 18; Rm 11:1-4).
Ook in die vermelding hebben wij een sleutel om inzicht te krijgen in de 7000 namen van mensen die in de aardbeving werden gedood. Er is wederom sprake van een Rest of Overblijfsel, joodse gelovigen die zich afkeren van het Grote Babel en toevlucht zoeken bij hun God Jahweh en diens Messiaanse Zoon (Op 18:1-8).
 
De Stad die door de aardbeving wordt getroffen moet de Grote Stad zijn van vers 8, Babylon, de Grote Stad waarvan in Op 14:8 vastgesteld zal worden dat zij –voorafgaande aan haar volledige ondergang – eerst een geestelijke val ervaart. Die val – verzinnebeeld door een tiende deel - is goed nieuws omdat dit voor Gods volk de poorten opent naar religieuze vrijheid en verlossing (Op 18:4; Er 1:1-4).
Dat 7000 namen van mensen werden gedood wil blijkbaar zeggen dat een compleet joods Overblijfsel 'sterft' in haar relatie tot die Grote Stad.Zij geven tijdig gehoor aan de oproep:
 
En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggend: Komt uit, mijn volk, uit haar; opdat jullie niet mede deelhebben aan haar zonden en uit haar plagen niet ontvangen. Want haar zonden werden opgestapeld tot aan de hemel en God bracht zich haar ongerechtigheden te binnen (Op 18:4-5).
 
Verheven worden tot de hemel wijst dus, wat het Overblijfsel betreft, op het ontvangen van een nieuwe status, waarbij hun een mate van autoriteit en invloed wordt verleend die zij op gepaste wijze moeten uitoefenen. Ten aanzien van wie? In overeenstemming met Gods wil, jegens de mensen der natiën, voor wie zij tot zegen moeten worden als het aardse deel van Abrahams zaad.
 
Krachtig komt in deze verrassende ontwikkeling der gebeurtenissen de vervulling van Psalm 118:22 tot uitdrukking, de gang van zaken waarop we in Deel 2 al diep zijn ingegaan:
 
De steen, die de bouwlieden verachtten, is tot hoofd van de hoek geworden. Vanwege Jahweh is dit: Een wonder in onze ogen!
 
We herinneren ons wellicht de veronderstelde betekenis van deze tot een spreekwoord uitgegroeide tekst: Wat aanvankelijk als niets wordt beschouwd, wordt naderhand van overwegend belang.
Toegepast binnen de context van hoofdstuk 11 van de Apocalyps: Israëls Rest, een smaad voor hun met rancune vervulde "broeders", gerehabiliteerd en hemelhoog verheven voor het oog van alle volken te midden waarvan zij diep vernederd waren. En dat vanwege Jahweh God die hen tot de hoeksteen maakt van een nieuwe en gezonde wereldorde. Om Jezus’ woorden van Johannes 4:22 gestand te doen: Redding is uit de Joden.
 
Zie: Psalm 118
 
In Openbaring 11:4 werden de Twee Getuigen ondermeer voorgesteld als de 2 lampenstandaarden en de 2 olijfbomen. Zoals wij zagen wordt daarmee verwezen naar Jozua en Zerubbabel die beide leiding gaven aan de herbouw van de tempel na  de ballingschap. Ter ondersteuning en aanmoediging van dat kolossale werk, profeteerden in die dagen de profeten Haggaï en Zacharia.
 
Het is dan ook zeker geen toeval te noemen dat zij in de naar hen genoemde Bijbelboeken profetisch melding maakten van de eervolle verhoging die deze twee mannen, die door God op een opvallende wijze bij de restauratie van de tempel werden gebruikt, ten deel zou vallen:
 
En het woord van Jahweh kwam een tweede maal tot Haggaï op de 24e van de maand, zeggende: Spreek tot Zerubbabel, bestuurder van Juda, en zeg: Ik schud de hemel en de aarde. Omverwerpen zal ik tronen van koninkrijken en verdelgen de sterkte van de koninkrijken der natiën. Omverwerpen zal ik wagens met hen die erop rijden, en de paarden en hun ruiters zullen neerstorten, een ieder door het zwaard van zijn broeder. Op die dag – kondigt Jahweh der legerscharen aan – zal ik u nemen, Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, mijn knecht – verklaart Jahweh – en  plaats ik u als een zegel, want u heb ik verkozen, zo maakt Jahweh der legerscharen bekend.
Haggaï 2:20-23
 
Daarna gaf de engel van Jahweh aan Jozua een plechtige verzekering, zeggend:
 
Aldus spreekt Jahweh der legerscharen: Indien gij in mijn wegen zult wandelen, en gij mijn dienst in acht neemt, dan ook zult gij het zijn die mijn Huis zal oordelen en mijn voorhoven bewaken; en ik zal u toegang geven onder dezen die hier staan.
Zacharia 3:6-7
 
De verhoging van Zerubbabel wordt gesitueerd in de periode dat Jahweh hemel en aarde schudt; een typisch eschatologisch gegeven. De apostel Paulus bevestigt dit in Hebreeën 12:25-28  door het schudden van de hemel en de aarde in verband te brengen met de verwijdering van de dingen die worden geschokt, dat wil zeggen de ineenstorting van het door mensen opgebouwde wereldsysteem. Alleen het koninkrijk Gods zal dan standhouden, aangezien die regering niet geschokt kan worden door de wereldomvattende beving van de eindtijd. Zie ook Openbaring 6:12-17.
 
Een beving – naar het voorbeeld van het indrukwekkende beven der aarde door Gods stem bij de Sinaï (Exodus 19:18) - had Haggaï al eerder in Hg 2:6-9 namens God aangekondigd. 
Als resultaat van het feit dat Jahweh God niet alleen de hemel, de aarde, de zee en het droge land, maar ook alle natiën zou schudden, zoudende begeerlijke dingen van alle natiën te voorschijn gebracht worden teneinde Gods Huis, de naos, met heerlijkheid te vervullen. Kennelijk een zinspeling op het belangrijke thema dat in de eindtijd - in de wereldberoering van het Antichrist tijdperk - een Israëlitische Rest bijeenvergaderd zal worden.
 
Mocht al de indruk gewekt worden dat niet zij maar mensen uit de Heidenvolken met hun kostbaarheden komen – het zilver en het goud – teneinde het Huis van God tot grote luister te brengen, dan moet dit toch gezien worden in het licht van andere profetische uitspraken, zoals Jesaja 49:22
 
Zo spreekt de Heer Jahweh: Zie, Ik zal mijn hand opheffen tot de Heidenvolken en voor de volken hef ik mijn banier;  uw zonen zullen zij brengen in de boezem, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. 
 
Het beeld dat hier door de profeet Jesaja wordt opgeroepen wijst op een spectaculaire ommekeer in de toestand van Israëls ballingschap. De Heidenvolken in wier midden Israël in een dienstbare afhankelijkheid verkeerde, worden nu de dienaren van hen die zij eens onderdrukten. Aangezien Gods heerlijkheid opgaat over Sion als blijk van zijn gunst, worden mensen uit alle natiën tot dat licht getrokken. Bijgevolg tonen zij zich gaarne bereid zich dienstbaar te maken aan het volk van wie Jahweh de God is. Met zorg worden dan ook Sions zonen door [notabene] de Heidenen naar hun homeland teruggeleid. Zie Jesaja 60:3-4.
 
Specifiek luidde Gods belofte tot Zerubbabel: Op die dag…zal ik u nemen…en plaats ik u als een zegel. Hoe moet dit worden opgevat?
Die Dag hangt samen met het tot vernietiging toe schudden van de koninkrijken der natiën. Een nieuwe eeuw (aeon) wordt op grond van Gods eeuwige voornemen ingevoerd; een nieuw tijdperk dat gekenmerkt wordt door de bouw van een nieuw Huis, een nieuw heiligdom of naos. En binnen die nieuwe regeling wordt "Zerubbabel" als een zegel geplaatst, dat wil blijkbaar zeggen: tot een vorstelijke positie verheven.
 
Door de meeste vertalers wordt het Hebreeuwse woord voor zegel gewoonlijk opgevat als duidend op een zegelring, een symbool voor het verlenen van uitvoerende macht. Omdat Jahweh "Zerubbabel" dan zou dragen als een zegelring zou deze zich voortdurend verheugen in Gods nabijheid en aandacht. 
Zerubbabels grootvader Jojachin werd tot een zegelring die van Gods hand werd weggerukt, verworpen wat betreft de uitoefening van vorstelijke heerschappij (Jeremia 22:24). Met Zerubbabel komt evenwel een keer in Gods handelen en breekt  een tijd van zegen aan, uitdrukkelijk aangegeven met de woorden: Want u heb ik verkozen.
 
De belofte die aan Jozua werd gedaan komt er eveneens op neer dat bij gebleken getrouwheid er sprake zou zijn van een verhoging: Dan ook zult gij het zijn die mijn Huis zal oordelen en mijn voorhoven bewaken.
De verheffing is anders van aard dan die van Zerubbabel en dat ligt voor de hand. Terwijl bij "Zerubbabel" de nadruk ligt op het uitoefenen van heerschappij in een vorstelijke positie, moeten de nieuwe voorrechten van "Jozua" logischerwijs in de priesterlijke sfeer gezocht worden: Hij krijgt het opzicht in de nieuwe naos; hij zal op rechterlijke wijze uitmaken wat bijvoorbeeld rein en onrein (profaan) is, wat Gods wil wél en niet omvat.
 
Maar Jahwehs engel had hem ook nog het volgende betuigd: En ik zal u toegang geven onder dezen die hier staan. Dat wil blijkbaar zeggen dat hij onbeschroomd voor Gods aanzicht zal mogen komen, vergelijkbaar met de getrouwe engelen, dezen die hier staan.
 
Tot hier toe hebben wij geprobeerd om ons aan de hand van de boeken Haggaï en Zacharia een beeld te vormen van de betekenis van Openbaring 11:12 waar tot de "Elia" van de eindtijd met een luide stem wordt gezegd: Stijgt hierheen op
De schriftdelen Haggaï 2:20-23 en Zacharia 3:6-7 gecombineerd beschouwd, wijzen op:
 
(1) een nieuwe, verhevener taak die het Overblijfsel krijgt toegewezen, gericht op het vervullen van Gods voornemen om vanaf de Tweede helft van de 70e Jaarweek, maar vervolgens vooral ook in het Millenniumrijk van de Messias, tot zegen te zijn van de mensen der natiën; en
(2) een toewijzing die tweeledig van aard is, vorstelijk en priesterlijk. Binnen de koninklijke priesterschap zullen zij zowel als koningen en als priesters dienen onder hun koning en hogepriester Messias Jezus (Op 20:4, 6).
 
 
In de hoofdstukken 44, 45 en 46 van het boek Ezechiël lijkt die 2-voudige taak tot in  bijzonderheden te worden uitgewerkt. Maar de daar gebruikte beelden worden in een apocalyptische omlijsting aan ons, lezers, gepresenteerd.
In dát Bijbelgedeelte is immers sprake van een visionaire tempel, de gedetailleerde uitwerking van de belofte gegeven in Ez 37:26-27.
 
Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn Heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn Tabernakel zal bij hen zijn; ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen mij tot een volk zijn.
 
Men kan daarom slechts gissen naar de diepere betekenis er van. Wellicht wijst dat op het feit dat thans Gods tijd nog niet is gekomen om die verborgenheden (volkomen) te doorgronden.
 
Aan hoofdstuk 47 lijken wij (voorlopig) nog de meeste houvast hebben.
In het gedeelte 47:1-12 wordt immers, naar analogie van Openbaring 22, een rivier van water des levens beschreven die zijn bron heeft in de tempel en overal waar ze komt leven en gezondheid brengt.
Precies zoals het geval is met de bomen des levens van Openbaring 22:2, dienen de vruchten van de bomen aan weerszijden van de stroom tot voedsel en hun gebladerte tot genezing. Duidelijk is daarom dat deze tempel tot zegen zal zijn in het Millennium.
 
Binnen joodse kringen heerst de opvatting dat eerst "Elia" moet komen. Dan zal deze de details verklaren.
Wellicht is het van betekenis dat Ezechiël, volgens Ez 40:1, het visioen ontving op 10 Nisan, de datum waarop Israël onder Jozua’s leiding over de Jordaan trok (Jozua 4:19).
Op diezelfde datum, in het jaar 33, ging Jezus de tempel te Jeruzalem binnen en reinigde die. Gods Huis moest een Huis van gebed voor alle natiën zijn (Markus 11:15-18).
 
Dit wil geenszins zeggen dat we in de Bijbel geen andere aangrijpingspunten zouden hebben om  meer duidelijkheid te verkrijgen over de positie die Gods uitverkorenen, de heiligen van het aardse deel van het Israël Gods, in het Millennium zullen innemen.
Gods bedoeling ten aanzien van hen werd reeds bij de Sinaï onthuld in de bekende woorden van Exodus 19:6
En gij zult mij een koninkrijk van priesters worden en een heilige natie.
 
In Daniël 7:26 lezen wij over Gods oordeel over de Antichrist: Zijn heerschappij wordt hem ontnomen waarna hij volkomen wordt verdelgd. Aan wie valt nu de heerschappij over de aarde toe? Volgens Openbaring 11:15 aan de Messias, de Mensenzoon, zoals op grond van Daniël 7:13-14 ook verwacht mocht worden. Maar Dn 7:27 geeft blijkbaar te kennen dat de Messias een representant op aarde zal hebben, de exponent van zijn heerschappij, waardigheid en koninklijke macht:
 
Dan zal het koningschap, de heerschappij en de luister van al de rijken onder de hemel gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen hem dienen en gehoorzamen. -wv78
 
Deze regeling, waarin de heerschappij van de Mensenzoon op aarde zal worden vertegenwoordigd door de joodse heiligen, wordt blijkbaar ook in de Openbaring getekend.
Zie Openbaring 5:9-10  waar de 24 Oudsten een nieuw lied zingen, gericht tot het Lam:
 
Waardig zijt gij de boekrol in ontvangst te nemen en zijn zegels te openen, want gij werd geslacht en kocht voor God in uw bloed [mensen]uit elke stam en taal en volk en natie; en gij maakte hen voor onze God een koninkrijk en priesters, en zij zullen als koningen regeren op de aarde!
 
Hoewel binnen de christenheid vrij algemeen de opvatting wordt gehuldigd dat hier de christelijke gemeente in beeld is, sluiten wij ons niet bij die zienswijze aan. De woorden die Johannes door de 24 Oudsten tot het Lam hoorde richten hebben betrekking op zijn joodse broeders. De 24 Oudsten spreken niet over zichzelf, wat in een afwijkende lezing wél wordt gesuggereerd: en gij maakte ons en wij zullen als koningen regeren op [of: over] de aarde!
 
In de 70e Week zal Jezus er een begin mee maken de heiligen tot een koninkrijk van priesters te maken. Zij delen in het Millenniumrijk zijn troon: Hem die overwint zal ik geven om met mij op mijn troon plaats te nemen, gelijk ook ik overwon en met mijn Vader plaats nam op zijn troon (Op 3:21).
Als koningen fungeren zij in relatie tot mensen, als priesters in relatie tot God.
 
Vergelijk: Openbaring 1:5b-6, waar in vers 6 - en hij [Messias Jezus] maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader – kennelijk op het hele Israël Gods wordt gedoeld, aangezien in de Eerste eeuw de vorming van de koninklijke priesterschap met de roeping van de christelijke gemeente reeds een aanvang had genomen.
 
In 2 Samuel 8:18 vermeldt de Bijbel dat Davids zonen priesters werden. Vanzelfsprekend hadden zij als zodanig toegang tot de koning. Aangezien zij geen priesters konden zijn in de Levitische zin, duidt hun priesterschap op iets anders. Zij waren Davids zonen en om die reden kwamen zij er voor in aanmerking zijn vertrouwelingen te zijn in staatsaangelegenheden.
 
De paralleltekst in 1 Kronieken 18:17 laat dat wellicht uitkomen. Daar wordt van Davids zonen gezegd dat zij de eersten [of: de voornaamsten]waren aan de zijde van de koning. Zij hadden een vorm van toegang tot de koning die voor anderen niet mogelijk was.
Wellicht moeten we hieruit afleiden dat naast David ook andere leden van zijn Huis als rechters optraden. Als staatsdienaren hadden zij blijkbaar ook de bevoegdheid om recht te spreken. Vergelijk Psalm 122:5.
 
Al deze omstandigheden wijzen er kennelijk op dat in het Millennium – binnen het Nieuwe Jeruzalem - het oude onderscheid tussen priesters en volk, waarin de priesters dichter bij God stonden en het volk meer verwijderd van hem was, zal verdwijnen. Het volledige Israël Gods zal toegang tot hem hebben; alle leden zullen  hem zeer nabij mogen komen. Dag en nacht zullen zij hem in zijn naos dienen.
 
Tot slot nog eenmaal terug naar Openbaring 11:11-12.
Wanneer de Twee Getuigen tot leven komen en in heerlijkheid (de wolk) tot de hemel worden verhoogd, leidt dat tot een schrikreactie bij hun vijanden:
 
Grote vrees viel op hen die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Stijgt hierheen op!  En zij stegen op tot in de hemel in de wolk, terwijl hun vijanden hen aanschouwden.
 
Voor hen die de Twee Getuigen haten en die zich vrolijk maken over hun vermeende uitschakeling, komt precies het tegenovergestelde van hetgeen zij verwachten. De typologische gebeurtenissen van het boek Esther gaan inderdaad in vervulling, maar dan ten gunste van de joodse Rest:
 
In de twaalfde maand, de maand Adar, op de dertiende dag, toen het besluit en bevel van de koning moest worden uitgevoerd, op die dag waarop de vijanden van de Joden gehoopt hadden hen te kunnen overweldigen, gebeurde juist het omgekeerde: de Joden overweldigden hun belagers … Niemand kon hun weerstaan, want alle volken waren door vrees voor hen aangegrepen. Alle bestuurders van de provincies, de satrapen, de stadhouders en de ambtenaren van de koning namen het op voor de Joden, want de vrees voor Mordekai had hen aangegrepen. Mordekai immers had grote invloed in het koninklijk paleis en zijn faam verbreidde zich in alle provincies …
 
Ook de andere Joden, die in de provincies van de koning woonden, hadden zich aaneengesloten. Zij verdedigden zich, zij kregen rust van hun vijanden en zij doodden vijfenzeventigduizend van hun belagers. Dat gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende dag rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde … Daarom vieren de Joden die over het land verspreid in de niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar met vreugde en maaltijden, als een feestdag, waarop men elkaar porties van de maaltijden stuurt.
Esther 9:1-19; wv95
 
Juist het omgekeerde gebeurde! Dit zal de ervaring zijn van de verbeten aanhang van de Antichrist die zich tot het einde zal verzetten tegen de rechtmatige Messias. Gezien het feit dat in Openbaring 1:6-7 de verhoging van de joodse Rest tot een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader, geplaatst is in relatie met de onverwachte komst tot het oordeel van de Mensenzoon, bestaat er kennelijk een verband tussen de schrikreactie van Op 11:11-12 en die van Op 1:6-7
 
En hij maakte ons een koninkrijk, priesters voor zijn God en Vader… Zie! Hij komt met de wolken en elk oog zal hem zien, ook zij die hem doorstaken en vanwege hem zullen alle stammen der aarde zich in weeklacht slaan. Ja! Amen!
 
In zijn grote profetie over zijn paroesie en de voleinding der eeuw had Jezus al het zelfde verband gelegd: Grote schrik bij zijn vijanden die tot hun ontsteltenis ontdekken dat zij de Messias van Satan adoreerden:
 
En dan zal het teken van de Mensenzoon verschijnen in de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich in weeklacht slaan en zij zullen de Mensenzoon zien, komende op de wolken des hemels, met kracht en veel heerlijkheid. En hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, vanaf uitersten der hemelen tot de uitersten er van.
Mattheüs 24:30-31
 
Wat de Israëlitische Vrouwgemeente betreft, tot aan de voleinding zal er onderscheid zijn tussen een getrouw, gelovig Overblijfsel en een onvermurwbaar deel dat altijd de heilige geest weerstaat. Handelingen 7:51.
 
Want al ware uw volk, o Israël,  als het zand der zee, een Rest daarvan keert terug. Tot een volledig einde is vastbesloten: overvloeiende rechtvaardigheid. Want een volledig einde waartoe vastbesloten is voltrekt de Heer, Jahweh der legerscharen, in het midden van het gehele land.
Jesaja 10:22-23
 
-.-.-.-.-.-

Geen opmerkingen: